Column

Het is echt waar: ook sjoelen is een sport

Sportliefhebbers kunnen zaterdagavond de kampioenswedstrijd van PSV in Eindhoven bekijken. Of zondag zien hoe een andere wielrenner dan John Degenkolb of Alexander Kristoff in Limburg de vijftigste Amstel Gold Race op zijn naam schrijft.

Ze kunnen ook naar Barneveld reizen.

Niet zozeer om die bijna vier miljoen tokkende of kakelende kippen te zien die er in deze Gelderse gemeente zijn. Wel om er de nationale kampioenschappen sjoelen te aanschouwen. Die worden zaterdag traditiegetrouw in de Veluwehal gehouden.

Sjoelen – het wordt meestal in verband gebracht met Oudejaarsavond. Familiefestijn. Of met die oranjedag die tegenwoordig op 27 april valt. Dan is sjoelen onderdeel van een opsomming waarin ook koekhappen en wc-pot gooien kunnen voorkomen. Zo valt er in het ‘Jaaroverzicht Koninklijk Huis 2014’ – een boekwerk vol details, bestemd voor de Tweede Kamer – te lezen: „Op het terrein De Meelzak deed een aantal leden van de Familie mee met sport- en spelactiviteiten, zoals sjoelen.” Dat was in De Rijp. Het koningspaar schijnt inmiddels wat minder genegen te zijn om te doen alsof het enthousiast deelneemt aan oud-Hollandse spelletjes. Weten ze dan niet dat sjoelen een echte spórt is?

Ook de politiek verdiept zich slechts hoogst zelden in de waarde van het sjoelen. Ja, één keer, en zo leuk was dat niet. Hans Hoogervorst, VVD’er en in 2003 minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zei toen plechtig, snoeimes in de hand: „Wij zien het niet als een kerntaak van de overheid om de Nederlandse sjoelbond te subsidiëren.” Hij dacht: laat ze maar schuiven, en weg was de subsidie; dat gold toen voor veel meer sportorganisaties, van de volleybalbond tot de Federatie van Klootschieters en Kogelwerpers. Toch was de Algemene Nederlandse Sjoelbond een van die kleinere bonden die Hoogervorsts partijgenote Erica Terpstra een maand later aan het voorzitterschap van NOC*NSF hielpen, ten koste van rivaal Ruud Vreeman. Rancuneus kon je de ANS niet noemen.

Dat de bond stemrecht had en heeft, toont meteen aan dat sjoelen een sport is. Als het lidmaatschap van sportfederatie NOC*NSF daarvoor geen bewijs is, wat dan wel? Het levert de sjoelbond geld op, want de opbrengst van De Lotto gaat grotendeels naar NOC*NSF, die zo bijvoorbeeld in 2013 43,2 miljoen euro kon verdelen onder de sportbonden.

Kan dat geld niet beter geheel naar olympische of andere takken van sport? Nee, zei directeur Joost Otterloo in NRC Handelsblad: „Dat mede dankzij De Lotto kleine sporten als kaatsen, sjoelen of american football in stand kunnen worden gehouden, vind ik juist zo waardevol.”

Is ook zeldzaam trouwens, hoor, dat deze krant sjoelen aandacht geeft. In 2009 konden de lezers van wereldkampioen Nelly Eekhof leren dat een goede sjoeler „een rustige hand heeft en een goede kijk op de sjoelbak”. (Dat sjoelen wordt trouwens aan de top niet gemengd beoefend. Om duistere redenen zijn mannen er op dat niveau beter in.) En in 1995 toog een verslaggever naar de nationale kampioenschappen. Hij zag spelers „met de tong tussen de tanden, een enkeling voorzien van speciale handschoenen”. Hij hoorde „het staccato geroffel van de schijven die tegen het houtwerk ketsen”, alsof „het dak van het sportcomplex door een fikse wolkbreuk wordt getroffen”.

Ook zag hij een spandoek waarvan de tekst in alle eenvoud niet raker kon zijn: Piet, als je wil winnen, kan je winnen.

Dan heb je geen mental coach meer nodig.

Dus: op naar Barneveld. Mogelijk lopen daar ook mannen en vrouwen in witte jassen rond, want ANS kent een dopingreglement. Prognose: Siem Oostenbrink en Nelly Eekhof worden nationaal sjoelkampioen. Deze voorspelling dient tevens om de concurrenten te prikkelen.