Column

Handschrift

Gaat het handschrift verdwijnen? Nieuwsuur wijdde onlangs een item aan dit onderwerp. In Finland is het al op de scholen afgeschaft. Ook op de Nederlandse scholen rukt de iPad op, straks misschien ter vervanging van het handschrift.

Nieuwsuur liet enkele felle tegenstanders aan het woord. „Ze spreken met dédain over het handschrift”, zei Tommy Wieringa, „in Nederland is er altijd die hysterische omhelzing van het nieuwe. […] Alle ideeën zijn als handschrift over de wereld gereisd. Ons hele menszijn is te danken aan het handschrift, en daar wordt nu zo lullig over gedaan, dat verdraag ik slecht.”

Erik Scherder, hoogleraar klinische neuropsychologie, vertelde dat het brein het meest gebaat is bij een uitdaging, zoals het leesbaar schrijven. Bovendien zou het handgeschrevene beter te onthouden zijn dan het getypte. Praktisch, maar daarom niet minder relevant was het voordeel dat een docente zag: een spontaan kattebelletje schrijf je met de hand.

Het leek me allemaal waar wat deze drie sprekers zeiden, en het was ook nuttig dát ze het zeiden, want je moet er niet aan denken dat we op een achternamiddag in 2015 achteloos een uitvinding afdanken die nog dateert uit het Oude Egypte (3300 v. Chr.).

God: „Wat hoor ik nou weer?” Onderwijsminister Jet Bussemaker: „Het was een unanieme kabinetsbeslissing.”

Toch, als ik héél eerlijk mag zijn, moet ik bekennen dat ik er persoonlijk geen moment rouwig om zou zijn als het handschrift verdween, en liefst nog bij mijn leven, want dan heb ik er tenminste nog enig plezier van. Wat wil immers het geval? Mijn handschrift lijkt nergens meer op. Het is ergens in de tweede helft van mijn leven ingestort als een zieke, oude man die van vermoeidheid niet meer op zijn benen kan staan.

Dan weer helt het gevaarlijk voorover in een soort vlucht naar voren, dan weer slaat het bijna achterover, schijnbaar om het evenwicht te herstellen, maar in werkelijkheid omdat het zich geen houding weet te geven. Het doet maar wat. Wanneer is dat begonnen?

Daarvoor moeten we ver terug in de tijd, om precies te zijn: 1952 n. Chr. Toen dwong juffrouw Tax, ongehuwde, oude onderwijzeres aan de lagere school, mij als linkshandige om rechts te schrijven. Het was alsof ze alle frustraties van haar leven afreageerde op dat handje dat niet schrijven mocht. Daarna is het nooit meer helemaal goed gekomen. Het werd een weliswaar nog net leesbaar, maar uiterst houterig handschrift, ogenschijnlijk geschreven door iemand met een motorische beperking. De letters stonden, naar de toen heersende mode, rechtop maar in mijn geval met een licht gebogen ruggetje.

Ik ben er moeizaam mijn schooltijd mee doorgekomen, maar de grootste aanslag moest nog komen: mijn periode als verslaggever, toen in grote haast en in alle denkbare standen aantekeningen moesten worden gemaakt. Mijn handschrift werd een ruïne. Hier en daar was nog een omgewaaide schoorsteen zichtbaar, of een verbrijzeld kelderraam, maar niets was ongeschonden gebleven.

Vrijwel niemand kon er meer wijs uit, en het gebeurde zelfs dat ik mensen in mijn omgeving moest vragen of zij me bij de ontcijfering van mijn eigen schrift konden helpen – doorgaans vergeefs. Het is een groot geluk dat ik geen sollicitatiebrieven meer hoef te schrijven; ik zou geen baan meer krijgen.

Ik ben een columnist die niet kan schrijven.