Filosofen, kom uit die ivoren toren en dien de economie eens

We moeten af van het idee dat de filosofie geen praktisch nut hoeft te hebben. Juist nu heeft de kenniseconomie baat bij mensen die stap voor stap vanuit zekere premissen naar een conclusie toe redeneren, betoogt neerlandicus en filosoof Martin Slagter.

Toen ik in de jaren 80/90 van de vorige eeuw in Utrecht filosofie studeerde, gold het als ronduit ongepast om naar het nut daarvan te vragen. De algemene opvatting onder filosofen in die tijd was dat filosofie geen nut hóefde te hebben.

Met zeker dedain werd er gesproken over praktijkgerichte disciplines, die hun bestaansrecht ontleenden aan hun maatschappelijke relevantie en praktische toepasbaarheid. Filosofie stond daarboven. De vraag naar het nut van filosofie bevatte in deze opvatting een contradictie. ‘Filosofie’ betekent namelijk: liefde voor wijsheid. En liefde is per definitie onbaatzuchtig.

De vraag naar het nut van filosofie is dan ook onzinnig en irrelevant, vinden (nog steeds) veel filosofen. Van oudsher was filosofie gericht op praktisch nut (‘verbetering des verstands’). In de Oudheid omvatte de filosofie alle andere wetenschappen. Aristoteles was niet alleen logicus, ethicus en metafysicus, maar ook bioloog, linguïst en natuurwetenschapper.

Een vloeibare samenleving van zzp’ers

In de Middeleeuwen degradeerde de filosofie tot een soort hulpwetenschap. Thomas van Aquino beschouwde haar als de ‘dienstmaagd van de theologie’. Vanaf de Renaissance wordt de filosofie in toenemende mate een autonome wetenschap, die evenmin als kunst geen praktisch nut hoeft te hebben. Dat laatste is waarschijnlijk de reden dat er tot voor kort in Nederland geen hbo-opleiding filosofie bestond. Jarenlang was filosofie de enige universitaire discipline waarvan geen toegepaste hbo-variant bestond.

Het wordt tijd dat hier verandering in komt en filosofie een gewone wetenschap wordt. De arbeidsmarkt en beroepspraktijk zijn in hoog tempo aan het veranderen. De grenzen tussen traditionele functies en vakdisciplines vervagen. Er is een ‘vloeibare samenleving’ aan het ontstaan, waarbij vertrouwde structuren verdwijnen en het aantal zzp’ers explosief toeneemt. Over twintig jaar zal de helft van alle huidige beroepen verdwenen zijn.

Tegen deze achtergrond is het niet erg zinvol om jongeren in het onderwijs op specifieke beroepen voor te bereiden. De arbeidsmarkt van de toekomst zal in toenemende mate behoefte hebben aan ‘generalisten’: breed opgeleide professionals die helder en onafhankelijk hebben leren nadenken, en in staat zijn in te spelen op nieuwe ontwikkelingen.

Bruikbaar voor beleidsmakers en economen

Met name de analytische filosofie heeft in dit opzicht veel nuttige vaardigheden te bieden. De analytische filosofie is een verzamelnaam voor een bepaalde stijl van filosoferen die in de twintigste eeuw in met name Engelstalige landen ging overheersen. Kenmerkend is het streven naar helderheid in verwoording en argumentatie van het ideeëngoed.

Door analytische filosofie te bedrijven, bekwaam je je in het discursieve denken, dat wil zeggen: stap voor stap vanuit zekere premissen naar een zekere conclusie toe redeneren. Wat kun je jongeren in een onzekere wereld beter bijbrengen dan dit?

De centrale vaardigheid van de analytische filosofie is de ontwikkeling van een helikopterview door middel van het expliciteren van vooronderstellingen (en deze ter discussie stellen). Dat is een vaardigheid die ook in veel huidige beroepen zeer goed bruikbaar is. Journalisten, bestuurders, politici, economen en beleidsmakers gaan er beter van functioneren.

Natuurlijk is de filosofie meer dan ‘het hulpje van de kenniseconomie’ en heeft zij ook veel te bieden op het gebied van bijvoorbeeld zingeving en moraal. Maar wat is er mis mee om filosofische vaardigheden dienstbaar te maken aan een goede voorbereiding van jongeren op een onzekere toekomst? Het thema van deze Maand van de Filosofie is (on)gelijkheid. Dat lijkt me een goed motief voor de filosofie om uit haar ivoren toren af te dalen.