Een geintje moet kunnen, is het idee onder agenten

Wie ‘anders’ is bij de politie, heeft het moeilijk. Moslims worden gekleineerd. Sjiera de Vries adviseert de politie over hoe hiermee om te gaan.

Vorige week protesteerden agenten voor een beter CAO. FOTO Phil Nijhuis

De vuile was buiten hangen doet niemand graag, zeker niet over discriminatie op de werkvloer. Toch kon minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) afgelopen donderdag tijdens een lezing over discriminatie uitgebreid citeren uit een intern blog van Gerard Bouman, korpschef van de Nationale Politie. Daarin uitte Bouman zijn zorgen over de sfeer in het korps na de terreuraanslag in Parijs. Moslimcollega’s worden uitgesloten, gekleineerd. Er zijn agenten die onderling spreken over „kutmoslims”. De korpschef riep zijn personeel op elkaar te accepteren, om te voorkomen dat „het gif van de uitsluiting” de politie binnensluipt.

Het maken van racistische opmerkingen of erger speelt al jaren bij de politie. Een rits aan programma’s, een landelijk netwerk, een taskforce, vertrouwenspersonen en ‘diversiteitsdagen’ moesten agenten bekwamen in ‘multicultureel vakmanschap’. Het is niet genoeg.

Vooral na een aanslag wordt discriminatie binnen het korps extra zichtbaar, zegt Sjiera de Vries, lector verscheidenheid aan hogeschool Windesheim. Ze adviseert de politie er al jaren over. Opmerkingen aan het adres van Molukse agenten namen toe na de treinkaping bij De Punt in 1977. Na 9/11 waren moslimagenten aan de beurt. Ook Surinaamse agenten hebben er last van gehad.

Waarom is er zo veel discriminatie bij de politie?

De Vries: „Discriminatie speelt overal, maar bij agenten krijgt zo’n incident meer lading. Dat heeft met hun positie te maken: een agent wordt geacht het goede voorbeeld te geven. Van hem klinkt een racistische opmerking anders dan van een vuilnisman.”

Speelt korpscultuur een rol?

„Zeker. De politie is een masculiene organisatie, net als defensie, de brandweer. Daar speelt discriminatie eerder dan in vrouwelijker organisaties. Geintjes, daar moet je tegen kunnen, is het idee. Groepscultuur heeft ook invloed: agenten werken de hele dag dicht op elkaar. De spanning van de straat reageren ze soms intern af.”

En die interne spanning neemt dus toe na aanslagen.

„De norm of je ‘foute grappen’ mag maken, is binnen elk korps weer anders. Overkoepelend is het gevoel van angst en wantrouwen na een aanslag. In de samenleving, dus ook bij politie. Is de ander te vertrouwen? Bij agenten, die op straat goed moeten samenwerken, speelt dat een grote rol. En degene die je het best vertrouwt is vaak iemand die op jou lijkt. Daarom is het lastig die monocultuur binnen de politie te doorbreken. Naast moslims vinden ook vrouwen, homoseksuelen en hoogopgeleiden bij de politie moeilijk hun weg. Het heeft te maken met ‘anders’ zijn.”

Monocultuur heeft op straat dus ook een functie.

„Ja, maar de politie wil ook een afspiegeling zijn van de samenleving. En diversiteit is ook functioneel. Een monoculturele organisatie kan zich niet ontwikkelen en dat is voor de politie wel van belang. Ze heeft te maken met een complexere samenleving en moet daar op inspelen: je hebt wijkagenten nodig die Arabisch spreken, mensen met kennis over sociale media. Er is juist behoefte aan een ‘ander soort’ mensen. Maar hen aantrekken is moeilijk. Welke ‘andere mens’ wil er werken in een monocultuur?”

Is dat te doorbreken?

„Het signaal dat Bouman gaf in zijn blog kan werken. Je wilt dat een cultuur ‘opener’ wordt. Dat blijkt te kunnen als een korpschef zich hard uitspreekt over discriminatie. Dat maakt bewust en slachtoffers voelen zich vrijer om incidenten te melden. De volgende stap zijn sancties, om te laten zien dat je het ook echt meent.”