Eén druppel

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

In één dag van huidskleur veranderen. Dat overkwam mijn vriendin Valdete, toen ze van Brazilië naar Amerika verhuisde. Was ze in São Paulo blank, in Princeton werd ze ineens zwart. Voor mij is ze een vrolijke mix van vanalles en nog wat met, inderdaad, een kleurtje. Maar „zwart”?

Als enige land in de wereld heeft de Verenigde Staten de zogeheten one-drop rule. Eén druppel Afrikaans bloed is genoeg om je zwart te maken, ongeacht het aantal Europese voorouders dat je telt. Kortom, als je niet helemaal wit bent, dan ben je zwart. In Latijns-Amerika werkt het eerder omgekeerd. Als je niet helemaal zwart bent, ben je wit.

Het Amerikaanse gebruik is voor de buitenstaander soms wat bevreemdend. Vele „zwarte” rolmodellen hebben een opvallend lichte huid. Neem generaal Colin Powell, beroemd als de eerste zwarte minister van Buitenlandse Zaken. Maar op menig foto hebben zijn blanke collega’s uit het kabinet-Bush een bruiner tintje dan hijzelf, misschien dankzij een recente zonvakantie. Of neem Vanessa Williams. Toen zij in 1983 de titel Miss America won – de eerste keer dat zwarte meisjes mochten meedingen – kreeg ze boze brieven van blanken die haar te zwart vonden en van zwarten die haar te blank vonden. En hoe zit het eigenlijk met Barack Obama, zoon van een witte moeder en zwarte vader?

De één-druppelregel is een wrang overblijfsel van de racistische, zogenaamde Jim Crow-wetten die rond 1910 in de zuidelijke staten werden ingevoerd. Na de verloren Burgeroorlog en de afschaffing van de slavernij werd onder de schijnheilige titel „apart maar gelijk” het leven in het Zuiden opnieuw gescheiden in een witte en zwarte wereld, met speciale zwarte scholen, restaurants en treinwagons – allemaal van inferieure kwaliteit natuurlijk. En iedereen met een kleurtje, hoe licht van teint ook, werd automatisch in het zwarte kamp ingedeeld. Ook al zijn deze discriminerende wetten onder druk van de burgerrechtenbeweging afgeschaft, het onderliggende zwart-witdenken is gebleven.

In de oude Spaanse koloniën daarentegen ging het anders. Van het allereerste begin was er een rijkdom aan termen om alle tinten huidskleur te beschrijven. Zo waren er al in de zestiende eeuw meer dan 22 verschillende woorden voor mogelijke etnische combinaties. Een pardo is bijvoorbeeld een specifiek mengsel van Indiaans, Afrikaans en Europese afkomst. De term wordt trouwens nog steeds in Brazilië gebruikt. Er was een aantal redenen voor deze meer genuanceerde vormen van discriminatie. In Zuid-Amerika woonde een veel grotere inheemse bevolking; de Spaanse en Portugese kolonisten kwamen vaak zonder vrouw en familie; en er waren ook veel meer slaven vanwege het suikerriet. Kortom, er was vraag naar een ruimhartige definitie van „wit”. Dit in tegenstelling tot Noord-Amerika, dat typisch door Europese families werd gekolonialiseerd die met een veel kleinere inheemse bevolking te maken kregen.

Maar het Amerikaanse zwart-witdenken loopt duidelijk tegen zijn grenzen aan. Een op de zeven huwelijken in de Verenigde Staten is nu gemengd. Vele „zwarte” burgers hebben minder dan 50 procent Afrikaans bloed. Topgolfer Tiger Woods, wiens achtergrond wit (‘Caucasian’), Afrikaans, Indiaans en Aziatisch is, noemt zichzelf maar „Cablinasian”.

Vandaag moet Valdete een verzekeringsformulier invullen. Aan de keukentafel staart ze naar het papier. Onder het hoofdje etniciteit is een aantal vakjes aan te kruisen: blank, zwart, latino, indiaans, etc. Ze houdt haar potlood aarzelend in de lucht en slaakt een diepe zucht. „Ik heb geen idee”, zegt ze. „Ik kruis ze maar allemaal aan.”