Op roman en film rustte een vloek voor iedereen

Die Blechtrommel, Günter Grass’ roman uit 1959, leidde twintig jaar later tot de meest succesvolle Duitse film ooit. Geregisseerd door Volker Schlöndorff deelde de film in 1979 in Cannes de Gouden Palm met het Vietnamepos Apocalypse Now en won een Oscar.

Grass, die meeschreef aan de dialogen en vaak op de filmset was, toonde zich zeer ingenomen met de film. Die beperkte zich tot twee delen van zijn driedelige roman over Oskar Matzerath, die op driejarige leeftijd besluit niet verder te groeien en in vrijstaat Danzig – nu Gdansk – het nazisme ziet opkomen. Zijn vader is de Duitse winkelier Alfred, een meeloper, dan wel de Pool Jan, met wie zijn moeder een niet al te geheime verhouding heeft. Oskar brengt overal chaos door op zijn blikken trommel te slaan en zo schril te gillen dat glas barst.

Cannes liep weg met de film, maar dat hij ook een Oscar won, verraste Schlöndorff. De groteske taferelen – een paardenkop vol palingen, seks met kinderen – was „niet helemaal wat ze in Beverly Hills onder kunst verstaan”, schreef hij later. In de staat Oklahoma was de film tot 1997 zelfs verboden. Veel Angelsaksische critici wisten zich niet goed raad met de ongrijpbare mix van magisch realisme en schelmenepos: wie is de held? Zo sputterde de invloedrijke Roger Ebert dat de film geen behapbare allegorie bood over jeugdige onschuld versus volwassen perversie: juist de kleine Oskar „is het meest wraakzuchtige, egocentrische, kille en berekenende personage in de film, op Adolf Hitler na”.

Schlöndorff schreef dat op Die Blechtrommel een vloek rust: noch hij, noch Grass, noch kindacteur David Bennent wisten het succes ooit te evenaren. Toen Grass, met wie hij goed bevriend raakte, in 2006 bekende dat hij lid was geweest van de Waffen-SS, zei Schlöndorff: „Het monument Günter Grass ligt nu natuurlijk in puin en as. Dat doet geen afbreuk aan de schrijver, het mens en zelfs niet aan mijn vriend. Misschien is het beter een mens van vlees en bloed te zijn dan een stenen monument.”