De spanningsboog oprekken op het sportveld

Het voetbalteam is een uitlaatklep. Ook verliezen kan goed zijn: „Positief denken over negatieve impulsen.”

Een potje voetbal is leuk, ook voor tbs’ers. Maar het zijn natuurlijk wel veroordeelden met een psychische stoornis. Ze hebben zware vergrijpen gepleegd, zoals verkrachting, moord en diefstal met geweld. Het doel van de tbs: succesvol reïntegreren in de samenleving.

In de tbs-kliniek van de Pompestichting is sporten onderdeel van de behandeling. De kliniek heeft daarom een voetbal- en volleybalteam. Ook kunnen patiënten sporten in de sporthal, is er een fitnessruimte en een (kunst)grasveld.

Het zijn nogal wat faciliteiten voor de patiënten, erkent bewegingsagoog Frank Aarntzen. Hij werkt 26 jaar bij de Pompestichting. Het is zijn taak patiënten in beweging te brengen door een passend sportprogramma te maken.

De buitenwereld mag sport als vrijheid en plezier zien, voor de patiënten is het een vorm van ontspanning, zegt Aarntzen. „Een groep mannen, vaak met een kort lontje, leeft hier op een klein oppervlak en onder een streng regime.” Om de stress die daardoor ontstaat tegen te gaan, mogen patiënten sporten. Aarntzen: „Ze vergeten daardoor even dat ze in een instelling zitten.”

Door sport wil hij de patiënten ook wat bijbrengen. Hij probeert hun, vaak korte, spanningsboog op te rekken. Hij stelt doelen die bereikt moeten worden. „Dat kost moeite en tijd.”

Voetballen bij Jonker Boys is voor de tbs’ers zo’n uitlaatklep, legt Aarntzen uit. Zo’n tien jaar geleden was hij betrokken bij het team. „We speelden toen ook uitwedstrijden. Met vijf tbs’ers in een busje op weg naar de tegenstander. Ik was altijd opgelucht als ze weer in de kliniek zaten aan het eind van de dag.”

Incidenten waren er nooit. Dat is een compliment voor de patiënten, zegt Aarntzen. Ze werden uitgedaagd in het veld en kregen verwensingen vanaf de zijlijn. De bewegingsagoog begreep dat wel. „Het zijn jongens die veroordeeld zijn.”

Zulke situaties komen nu niet meer voor. Ze mogen niet meer buiten de kliniek spelen. De afgelopen jaren zijn de verlofregels voor tbs’ers aangescherpt. Dit gebeurde na diverse ontsnappingen tijdens verlof, soms met gewelddadige incidenten tot gevolg.

Aarntzen snapt het wel, maar als behandelaar vindt hij het jammer. „Binnen willen de patiënten niet altijd praten over bepaalde onderwerpen. Door buiten bezig te zijn, doen ze dat soms toch.” Ook ziet Aarntzen of de patiënt tegen zijn verlies en tegen een stootje kan. Prikkels die binnen de muren van de kliniek minder voorkomen dan in de buitenwereld.

Er zijn ook tbs’ers die andere interesses hebben, of die nog niet klaar zijn om in groepsverband te sporten. Die komen bij Jelmer Eijsackers terecht, al acht jaar psychomotorisch therapeut. „Met patiënten zoek ik ook andere vormen van ervaringsgerichte therapie.” Zoals drama- en muziektherapie, werk, zich aansluiten bij een zangkoor. Door dingen samen te doen leren de patiënten sociale en cognitieve vaardigheden, die zij soms missen.

Hij probeert het gedrag te veranderen van patiënten, door ze „positief te laten denken, over negatieve impulsen”. In de kliniek zitten veel patiënten die in het verleden ‘middelen’ hebben gebruikt. Sport kan een rol spelen om die impulsen te beheersen.

Er is veel vrijheid om te sporten, maar tbs’ers moeten het ook verdienen, zegt Eijsackers. Ze kunnen hun sportprivileges kwijtraken als ze zich misdragen of de leefregels overtreden, door drugsgebruik bijvoorbeeld.

Sport buiten de kliniek is net zo belangrijk als daarbinnen. Eijsackers probeert sport daarom onderdeel van het leven van de patiënt te maken. Sport geeft vastigheid, sociale contacten en is gezond: allemaal onderdelen van een succesvolle reïntegratie in de samenleving. „Maar”, zegt Eijsackers, „buiten de kliniek is de drempel een stuk hoger voor ex-patiënten om zich aan te sluiten bij een sportvereniging.”