De bezetting had een pover resultaat

Een democratisch managementmodel is te beperkt als doel voor de nieuwe universiteit, betoogt Huub Dijstelbloem.

De ontruiming van het Maagdenhuis had op geen slechter moment kunnen komen. Het voor afgelopen weekeinde aangekondigde Wetenschapsfestival beloofde het meest openbare academische event van de bezetters te zijn tot nu toe. Dat daar een streep door is gezet, doorkruist niet alleen een symbolische constructieve afsluiting van een periode. Het had ook een feestelijk startschot voor een debat over de publieke rol van de universiteit kunnen zijn.

Typerend aan deze universitaire revolte is dat die over de interne organisatie van de academie gaat. Om paal en perk te stellen aan de voortdurende jacht op onderzoeksgeld, de druk op het onderwijs, het grote aantal tijdelijke aanstellingen, de onduidelijke financiën en de overdaad aan bureaucratie klonk de roep om meer inspraak en autonomie. Decentralisering en meer democratische controle op het management zouden de academische vrijheid en zeggenschap weer moeten vergroten. Maar van meet af aan hebben de protesten moeten koorddansen tussen progressief ongenoegen en conservatieve behoudzucht met als waarschijnlijk resultaat een nieuw intern managementmodel, waarbij de rol van de universiteit in de samenleving onbesproken blijft.

Maar het gaat om de vraag hoe de wetenschap haar kritische rol kan waarmaken. De wetenschapper kan zich niet beperken tot de vertrouwde kring van de eigen collega’s. In What Are Universities For? (2012) beschrijft Stefan Collini het (hypothetische) geval van een deskundige op het gebied van de Victoriaanse poëzie die na jaren werk een nieuwe studie uitbrengt over een dichter uit die periode. Het boek wordt geprezen, het is verdiepend en verhelderend, kortom een staaltje uitmuntend onderzoek dat ook vele generaties studenten kan voorzien. Toch is de impact volgens Collini in beleidsmatige zin nul en het zou onzinnig zijn meer dan dit te eisen.

Er zit iets aanmatigends in die veronderstelling. Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum, liet in Zomergasten eens een fragment zien van cultuurfilosoof Georg Steiner die zich erover beklaagt dat straks niemand meer een passage uit The Sun Also Rises van Hemingway zal begrijpen omdat het mensen ontbreekt aan kennis van het Roelantslied. Maar als je dat vindt, moet je er ook iets aan doen, vond Van Os. Trek erop uit!

De rol van de universiteit als kritische vrijplaats is onmisbaar in een liberale democratie. Maar degenen die autonomie willen, zien vaak iedere vorm van toepassing en circulatie van kennis als aantasting van de onafhankelijkheid. Dat is een kenmerk van wat de Franse filosoof Jacques Rancière, zelf te gast in het Maagdenhuis, de ‘linkse melancholie’ heeft genoemd. Rancière stelt dat veel protest gedesillusioneerd maakt. De critici van de „neoliberale universiteit” zien een onvermijdelijk historisch proces waarin alle kennisontwikkeling uiteindelijk gekaapt wordt door de macht van de markt. Dat is overdreven.

Dit wil niet zeggen dat er geen kapers op de kust zijn. In tijden van bezuinigingen en ombuigingen naar private partijen verdient de universiteit alle aandacht. Craig Calhoun, directeur van de London School of Exploitation en dus zelf als bestuurder betrokken in het studentenprotest aldaar, heeft dat via een herwaardering van de klassieke wetenschapssociologie van Robert K. Merton mooi laten zien. Wellicht kan hij er als directeur nu zelf zijn voordeel mee doen. Wat is het alternatief? De publieke rol kan een stap verder worden gebracht door autonomie en democratie niet slechts te hanteren als intern controlemodel op het management. Haar taak moet zijn de verbeelding terug te brengen in sociale structuren die al lang niet meer verlopen langs de ordeningen die natiestaten hebben aangebracht. Academisch onderzoek wijst er voortdurend op dat de consequenties van technologie grenzeloos zijn en dat het handelingsvermogen van politici beperkt is.

Wetenschap kan de rol van de staat niet overnemen, maar is een manier om de publieke rol van de universiteit een stap verder te brengen. Terecht klonk in het protest dat het wetenschapsbeleid maatschappelijke samenwerking sterk beperkt tot draagkrachtige private partijen. Als er meer ruimte komt de gevolgen van die issues in gesprek te brengen met publieken die daardoor geraakt worden – of het nou om de gevolgen van klimaatverandering, migratie of medische technologie gaat – levert dat meer inhoudelijke maatschappelijke interactie op dan een Wetenschapsagenda kan bieden.

Als de protesten iets duidelijk maken, dan is het wel dat de universiteit als ‘idee’ een opknapbeurt nodig heeft. Als het resultaat is dat er systematisch nagedacht gaat worden over de publieke rol en die discussie in alle geledingen van academisch onderwijs en onderzoek wordt voortgezet. dan is dat winst, al mag het zo niet worden genoemd.