Column

Bankiers argumenteren wel degelijk moreel

Al lezend zat ik instemmend te knikken terwijl ik tegelijk misprijzend mijn hoofd schudde. U had het waarschijnlijk moeten zien om het u te kunnen voorstellen. Al dat knikken en schudden kwam doordat ik een overigens aardig artikel las van Joris Luyendijk, dat verscheen onder de kop Bankiers leven in een amoreel universum. De financiële sector functioneert amoreel, schreef Luyendijk, en daar geloofde ik niets van.

Het is namelijk heel moeilijk amoreel te leven. Geen moreel standpunt in te nemen en niet op een ethische theorie terug te vallen. Een volwassen mens houdt er al gauw een ethische theorie op na. Zelfs overtuigd egoïsme is er eentje. Het klinkt raar, maar het is zo. Als egoïst vind je dat mensen moeten handelen in hun eigen belang en je keurt gedrag goed als dat gunstig uitpakt voor je zelf of het zelf van een ander.

Daarmee is egoïsme een theorie over menselijk handelen, de voorschriften daarvoor en de oordelen daarover, en daarmee is het een theorie over moraal.

Natuurlijk zou het een flauw woordspelletje zijn alleen te vallen over de term ‘amoreel’ in een stuk over bankiers. Als er tenminste geen echt, serieus bezwaar was tegen toepassing van die term op bankiersbeslissingen. Maar dat is er wel.

Het serieuze bezwaar luidt dat je lastig argumenten kunt inbrengen tegen de ethische theorie die populair is in de financieel-economische sector, zolang je volhoudt dat die theorie niet bestaat. Beweer je dat bankiers leven in een amoreel universum, dan maak je kritiek op hun morele overtuiging onmogelijk. Vandaar dat hoofdschudden van mij.

Dat bankiers wel degelijk moreel argumenteren, zie je alleen al aan het feit dat ze hun bonussen op allerlei mogelijke manieren proberen te rechtvaardigen. Luyendijk noemt dat ‘amorele rechtvaardigingen’, maar die uitdrukking snap ik niet. Met een rechtvaardiging doe je een beroep op een gedeeld gevoel van rechtvaardigheid en rechtvaardigheid is bij uitstek een morele categorie. Een amorele rechtvaardiging van je handelen bestaat helemaal niet. Net zomin als een vierkante cirkel.

Laten we eens kijken naar het begrip amoreel zelf. Niet immoreel, maar amoreel. Voorbijgaand aan vragen over goed en kwaad. Volgens Luyendijk is al het kwantitatieve amoreel. Televisieprogramma’s beoordelen op kijkcijfers: ‘amoreel’. Sturen op kwalitatieve targets in zorg en onderwijs: ‘amoreel’.

Nou zou dat best kunnen, dat onderwijs- en zorgmanagers in het wilde weg sturen op getallen, zonder dat daaraan enige normatieve gedachte ten grondslag ligt, maar nog eens: ik geloof er niets van.

Het probleem is eerder dat een utilitaristische ethiek dominant is geworden in het denken over economie – en dat het zich vervolgens heeft meester gemaakt van alle sectoren van het leven. Utilitaristische ethiek is per definitie kwantitatief. Een utilitarist vraagt zich af hoe keuzes uitpakken voor de algemene som van goed minus kwaad. Geluk minus pijn. De meeste utilitaristen zijn lieve denkers die willen dat de mensheid alles bij elkaar opgeteld en afgetrokken zo gelukkig mogelijk is. Om in die situatie te geraken, bij schaarste aan middelen, moet je dus passen en meten.

Hoge bonussen verdedigen omdat de samenleving als geheel beter af is met dure bankiers aan het roer: een typisch utilitaristisch argument. Hoge kijkcijfers eisen omdat je zo veel mogelijk mensen wilt plezieren: een typisch utilitaristisch argument.

Tot zover is er niets mis mee. Maar er zijn klassieke problemen die de utilitarist moeilijk kan oplossen. Twee daarvan zijn hier belangrijk. Ten eerste kunnen utilitaristen moeilijk passen en meten met verschijnselen die onmeetbaar zijn. Vrijheid. Schoonheid.

Ten tweede hebben ze geen kaas gegeten van de verdeling van welvaart en welzijn. Volgens mij denken veel bonusinners serieus dat iedereen uiteindelijk wint als de rijken maar eerst rijker worden. Het verdelingsvraagstuk, dat Piketty onlangs weer heeft opgeworpen, gaat aan ze voorbij.

Het kan best kloppen dat bankiers in de City amoreel zijn, zoals Joris Luyendijk beweert. Maar amoraliteit is een psychopathologische conditie. En je kunt niet, zoals hij doet, het probleem breder trekken en beweren dat én de publieke omroepen én de zorgsector én de onderwijssector louter worden bevolkt door psychopaten.

Nee. Het is veel erger, vrees ik.

Al die sectoren worden bevolkt door mensen die zijn opgevoed in de utilitaristische ethiek van de economie en die blinde vlekken hebben voor de beperkingen daarvan.

Voor het overige ben ik het volstrekt met Joris Luyendijk eens, hoor.

Iedereen moet beter leven. Dat vind ik ook. En het is aan de politiek om weer wat duidelijker te worden over de economisch-morele keuzes die daaraan te pas komen.