Column

Uit het Maagdenhuis

Gistermorgen stonden er alweer auto’s van Ruitenheer BV op de stoep voor het Maagdenhuis: „Uw partner voor al uw onderhoud, veiligheid, bouw, groenvoorziening en hygiëne care”. De bezetting was voorbij, de orde hersteld.

Een dag eerder was ik op het Spui, kort nadat het Maagdenhuis ontruimd was – een ontruiming die weliswaar niet zonder slag of stoot ging, maar toch snel was afgelopen. De opwinding was inmiddels weggeëbd, er werd nog één student weggevoerd, een jongen in een rood T-shirt die zich zeer eenzaam moet hebben gevoeld te midden van allerlei duwende politiemensen.

Het begon steeds harder te regenen, terwijl een aantal studenten op het plein zittend een vergadering begon, de zogeheten general assembly, waarbij voortdurend Occupy-achtig met de handen werd gefladderd. Bereden én onbereden politie volgde de bijeenkomst nauwlettend. Diverse sprekers spraken de studenten via een megafoon in het Engels toe. Hun stemmen werden zozeer vervormd dat ik er vrijwel niets van kon verstaan.

Ik had destijds ook zo’n bijeenkomst van de Occupy-beweging naast de Bijenkorf gevolgd. Ook toen die vals-optimistische sfeer van „we laten ons er niet onder krijgen” met richtingloze toespraken en opgewonden gejoel. Wat was precies het doel van Occupy? Het wilde maar niet duidelijk worden. De geformuleerde verlangens waren te vaag en te algemeen om lang te beklijven; er waren ook geen aansprekende leiders. Er bestond wel sympathie voor Occupy, maar de beweging miste het vermogen om die effectief te mobiliseren.

Misschien wacht de actievoerende studenten hetzelfde lot. Ook nu is er begrip voor hun kritiek, zoals die op het universitaire rendementsdenken en het gebrek aan medezeggenschap. Maar zal dat begrip ook vertaald worden in ander beleid? Onderwijsminister Bussemaker haastte zich te zeggen dat het einde van de bezetting niet het einde van de discussie zal betekenen; ze wil binnenkort met studenten en leiding in debat gaan. De minister heeft een wijze les getrokken uit het tactloze optreden van universiteitsvoorzitter Gunning: met dédain breek je geen studentenverzet.

De vraag is of de studenten inhoudelijk sterk genoeg in hun schoenen staan om een taaie strijd in de universitaire gangen van de macht te winnen.

Mij viel de afgelopen weken op dat de vonk van opstandigheid niet overtuigend naar andere universiteiten oversloeg, hoewel ook daar bij docenten en studenten onvrede heerst. In Amsterdam lijkt het studentenverzet al uiteen te vallen in een radicale en gematigde vleugel.

Ik sprak zaterdagmiddag, na de beëindiging van de bezetting, een jonge eerstejaarsstudente van de UvA. Nee, ze was niet naar het Maagdenhuis gegaan, die bezetting had op haar faculteit weinig indruk gemaakt. Er was een aardige discussiebijeenkomst geweest, maar daar was het bij gebleven.

Wat moest je er verder ook mee? Ze was met haar hoofd meer bij haar tentamens. Ze wilde een uitblinkende student worden, niet iemand die met zesjes genoegen nam. Ze had in haar vak honderden medestudenten, die visten straks allemaal in dezelfde vijver naar een goeie baan; dat lijkt ook het grote verschil met de situatie van het studentenverzet in de jaren zeventig, toen de banen nog voor het opscheppen waren.

Deze studente had er zin in, keihard studeren gaf haar veel voldoening. Ze wilde niet de universiteit bezetten, maar de wereld.