Column

Likken

Een taxi remt en toetert. Ik houd stil op de weg naast de stoep. De bestuurder van de taxi schreeuwt naar mij. Ik versta hem niet. Mijn hart bonst, stroomstoten schieten door mijn lichaam. Adrenaline. Fijn dat er altijd nóg meer adrenaline door mijn lichaam kan razen dan in rust. Dat het niet opraakt. Dat het me nog alarmeert als er écht iets aan de hand is, in het nu.

De taxi scheurt slingerend weg. Ik maak me zorgen. Daar ben ik goed in. Voor die taxi uit het niets opdoemde, voerde ik alvast een gesprek met een arts. ‘Heb jij vroeger aan batterijen gelikt?’ zal hij vragen. (Ja een ‘hij’. Ik kan er ook niets aan doen dat de arts in mijn fantasie een man met gele tanden is die sterk naar oude koffie ruikt.) ‘Ja’ zal ik dan zeggen, ‘maar altijd maar heel even’.

Ik likte als kind aan batterijen. Ik wist dat het niet mocht, dat het niet goed was. Maar die smaak, dat gevaarlijke gevoel aan je tong… Ik móést eraan likken. Ik denk vaak aan het likken terug. Omdat ik er spijt van heb. Nu is zo’n periode. Dan ruim ik de vaatwasser in, of loop over straat, en voel ik in gedachten mijn tong in de cirkels bovenop zo’n batterij duwen. Het gebeurde in het geniep. In mijn kamer met het blauwe zeil.

De kale Barbie had echt een kutleven, maar zo’n pop wil ook door

Het beeld van smurfenhuisjes komt ook vaak mee. En Barbies, stokjes, steentjes, veren en snoeppapiertjes. Zaken van grote waarde. Ik had van iemand een oude vismolen met draad gekregen. Die draad zat provisorisch aan de molen vast en was van een verwarmingsbuis over een opstelling in het raamkozijn heen gespannen en aan de andere kant bevestigd aan mijn bed. Ik was ‘Het’, Het was God. Ik bepaalde wat de smurfen, de trollen, de knuffels en de barbies meemaakten, maar was ook verantwoordelijk voor hun geluk. Een zorg die zwaar op mij drukte. Dus likte ik aan batterijen.

Geen God is perfect. Ik kon in bed liggen en plots overvallen worden door een groot schuldgevoel omdat de nep-Barbie van de kermis met het afgeknipte haar (dat, eenmaal afgeknipt, een grote kale plek onthulde) nog midden in een gedoetje met brilsmurf zat dat nog niet was afgemaakt. De kale Barbie had echt een kutleven, maar zo’n pop wil ook door. Zo nu en dan draaide ik aan het vismolentje TIK TIK TIK TIK, ten teken dat er iets groots aanstonds was.

Op andere momenten duizelde het idee dat er misschien wel een God was die mij liet spelen dat ík God was mij. Moest ik niet ook iemand Het laten spelen? En wie speelde er met de God die met mij speelde? De batterijen zijn vervangen, door andere dingen. Het is altijd angst voor ‘iets groots dat aanstonds is’ dat tot likken, of iets wat daar voor doorgaat, leidt. En dán wordt je dus bijna overreden. Ik google ‘gevolgen aan batterijen likken’ niet. Kan er nu toch niets meer aan doen. Aan andere dingen wel. Ik wil niet de kale Barbie zijn.