Column

Spoorwegovergang

De machinisten van een TGV moeten op die ene zondag in april dan maar remmen als ze wielrenners op het spoor zien. Een nieuwe verkeersregel tijdens Parijs-Roubaix: de fiets heeft voorrang op de trein.

De wielrenners zijn in de oerklassieker teruggeworpen in de tijd. Ze moeten een wedstrijd rijden in een wereldvreemd decor. Kijk naar hun gezichten. Ze lijken op vergeten mijnwerkers die met stof en gruis in de ogen op zoek moeten naar daglicht.

Kijk naar het landschap. In leeg zelfmoordgebied liggen versteende dorpen waar op het plein een soldaat op een sokkel over de oorlog peinst. En dan die kasseistroken; paden waar een beslagen werkpaard nog voor terugdeinst. Parijs-Roubaix is een wielerwedstrijd uit een vervlogen eeuw.

De TGV stopt niet in het dorpje Orchies, niet in het werkloze Arenberg. Zo’n snelle trein is een anachronisme tijdens Parijs-Roubaix. Als een stanleymes snijdt de hypermoderne neus de akkers in tweeën. Het peloton reed in volle vaart af op een spoorwegovergang. De eerste renners zagen knipperende rode lampen. Remmen? Nee, de drift om te winnen overwon de angst om door een trein geplet te worden. De eerste coureurs wipten over de rails. De slagbomen daalden. Een paar renners bukten en konden er nog net onder door. De anderen volgden, in slalom om de slagbomen heen. Politiemannen op motoren en publiek begonnen in paniek te zwaaien. De trein, daar komt de trein.

De hele dag loopt een renner gevaar. Om hard te vallen, om tegen toeschouwers aan te knallen. Dan kennelijk ook maar risico nemen bij een spoorwegovergang.

Nog meer renners waagden het erop, totdat een politieman de oversteek met harde hand verbood. Binnen zes tellen raasde de TGV voorbij. De renners namen de gok en reden door. Er stond een Frans bord in de berm: wacht, er kan nog een trein komen.

De wedstrijd werd geneutraliseerd tot het peloton weer aan elkaar was geplakt. De renners namen een slok en een hap en waren het gevaar al weer vergeten. Ze wilden vooruit, naar het velodrome, niet omkijken naar de spoorwegovergang.

Noem ze gek. Maar wij willen die gekken zien, zes uur lang, met hun dunne bandjes over kasseien, met een gemiddelde snelheid van 43 kilometer per uur. Vanuit de lucht zag ik hoe renners zelf treintjes vormden. Als aan elkaar gehaakte wagonnetjes kachelden ze door het stof naar Roubaix. Eenmaal over finish was de levensgevaarlijke manoeuvre vergeten.

Winnaar John Degenkolb zei: „Je moet niet bang zijn om te falen”. De machinist van de TGV suisde ondertussen verder. Met dat schrikbeeld van de overstekende renners nog op zijn netvlies.

Wacht, er kan nog een wielrenner komen.