Column

Rebellen van nu

‘Dit is het Lieverdje, middelpunt van de Provo-revolte van 1966, die Nederland veranderd heeft”, zei ik tegen een Russische kennis met wie ik over het Spui in Amsterdam wandelde. „Wat bereikte die revolutie?”, vroeg hij. Prompt stond ik met mijn mond vol tanden. „Een vrijere atmosfeer”, mompelde ik nog. Maar dat vond hij, als balling uit een dictatuur in wording, duidelijk niet zo’n overtuigend antwoord. Vrijheid van drukpers en vergadering hadden wij immers al in 1966. De gedachte aan het vervalsen van verkiezingsuitslagen komt bij ons zelfs niet op. Toch weet ik zeker dat Provo heel belangrijk is geweest, en kan ik me enorm ergeren wanneer er gezegd of geschreven wordt dat Provo ‘geen programma’ had of slechts een ludiek tijdsverschijnsel was. Ik was vijftien in 1966 en wist dat juist ten tijde van mijn generatie de wereld fundamenteel veranderde. Provo was daar een schakel in. Niets vaags aan. Maar moeilijk in concreto te beschrijven.

Opgetogen las ik dan ook laatst Rebelse jeugd van Eric Duivenvoorden. Eindelijk een boek waarin Provo overtuigend als waterscheiding wordt beschreven. Duivenvoorden beschrijft Provo als culminatie in een historisch proces van longue durée: een in de jaren vijftig begonnen, broeiende opstand van de jeugd tegen een jeugdvijandige overheid. Die laat ter wille van de openbare orde concerten van de Dutch Swing College Band beëindigen wanneer toehoorders in de schouwburg opstaan van de stoelen en dansen. En schroomt niet tegen jongeren die het autoverkeer belemmeren, de lange lat of blanke sabel in te zetten. De jeugd won, in 1966, en Nederland was nooit meer hetzelfde.

Het was moeilijk zaterdag geen mededogen te hebben met de rebellen van nu – de studenten die op datzelfde Spui door de ME het Maagdenhuis werden uitgeknikkerd. Slimme, positief ingestelde mensen waren het. De drie etterbakken die vorige week ‘harde acties’ aankondigden, en daarmee het college van bestuur het ideale argument aanleverden om bij de rechter gewelddadige ontruiming te bepleiten, waren nergens te bekennen. Van het plan om het geplande Festival der Wetenschap dan maar op straat te houden, kwam weinig terecht: om kwart voor één waren de sprekers op, een geluidsinstallatie bleek niet te regelen en het motregende. Even dacht ik nog dat we drama gingen beleven, toen de politie voor het Maagdenhuis de Forensische Opsporingsdienst parkeerde. Een lijk, dacht ik. Maar het ging slechts om vingerafdrukken op gesneuveld meubilair – ook een vorm van boeven vangen.

Voordat de studenten de straatkeitjes verruilden voor droger oorden, was er nog een troostende toespraak van UVA-hoogleraar Ewald Engelen. Het is niet voor niets geweest, hield hij de verregende groep voor: jullie bezetting heeft internationale weerklank gevonden, alom groeit het verzet tegen het laatkapitalistische rendementsdenken, de strijd gaat door.

Dat denk ik ook, dus wie weet hoe we later terugkijken op de Maagdenhuisbezetting van 2015. Misschien wel als op een omslag, net als Provo. Nu nog woorden vinden om dat aan een Rus uit te leggen.