Net een loterij, die overheidsfinanciering van wetenschappelijk onderzoek

Alleen de top valt in de prijzen bij de verdeling van overheidsgeld voor wetenschappelijk onderzoek. Het is beter om veel kleine beurzen toe te kennen in plaats van een paar grote. Dat heeft meer maatschappelijke impact en dicht de kloof tussen onderwijs en onderzoek, betoogt Eric Schliesser.

Het Nederlands wetenschappelijk beleid is in het nieuws: terwijl de overheid via de Nationale Wetenschapsagenda dat beleid meer elan en draagvlak probeert te geven, rommelt het op de universiteit met protesterende studenten en steeds luider wordende klachten van academici over een te hoge werkdruk en demotiverende lage slaagkansen bij onderzoeksaanvragen. Ondertussen blijven volgens het Rathenau Instituut de Nederlandse overheidsuitgaven voor wetenschap structureel dalen.

Wat geen aandacht krijgt is dat het Nederlands wetenschappelijk beleid wetenschappelijk slecht onderbouwd is, en dat daardoor op termijn Nederland haar relatief vooraanstaande positie in de wetenschappelijke wereld kwijt zal raken. Bij ongewijzigd beleid zullen de onderzoeksactiviteiten van Nederlandse bedrijven en start-ups steeds meer gaan achterblijven bij de internationale concurrentie.

Eerst wat achtergrond: in Nederland wordt het onderzoeksgeld steeds meer centraal via nationale onderzoeksorganisaties onder wetenschappers verdeeld. Dat is een zinnig traject geweest omdat dit het Nederlands onderzoek internationaler en meer meritocratisch heeft gemaakt. De universiteiten fungeren nu hierin als doorgeefluik, en worden vooral aangemoedigd om te specialiseren op gebieden waarin hun medewerkers relatief veel (nationale en Europese) onderzoeksfinanciering binnen halen.

Het beleid is ook in toenemende mate gericht op wetenschappelijk talenten relatief vroeg in hun carrière te herkennen en via beurzen te stimuleren (o.a. via de zogenaamde vernieuwingsimpuls). Om de zaak niet nodeloos te compliceren zal ik voor het gemak aannemen dat de instrumenten die hiervoor gebruikt worden geschikt zijn; ik ben, bijvoorbeeld, via zo’n beurs tien jaar geleden terug uit de Verenigde Staten naar Nederland gekomen.

De overheid heeft een voorkeur voor relatief grote wetenschappelijke projecten. Het gevolg is dat veel van het onderzoeksgeld bij relatief weinig onderzoekers terecht komt. Er is geen enkele studie die bewijst dat overheden structureel goed zijn in het selecteren van winnaars; de wetenschap verschilt hierin niet van andere bedrijfstakken. En toch is dit het cruciale element van het zogenaamde topsectorenbeleid van de overheid. Zelfs als het geen verspild geld is, blijft altijd de vraag of er niet betere bestedingen waren geweest.

In de praktijk delegeert de overheid het inhoudelijke deel van de beslissingen naar wetenschappers. Maar in Nederland worden de beslissingen over de verdelingen, zelfs bij het vrije, fundamentele onderzoek, dikwijls door interdisciplinaire commissies genomen zodat er vaak niet meer dan een expert is die vaag verstand heeft van het onderzoeksvoorstel. Om risico te mijden wordt dan naar criteria gekeken die vakinhoudelijk weinig voorstellen, maar vooral de status quo handhaven.

Omdat onderzoek op incidentele projectbasis gebeurt is het steeds risicovoller voor universiteiten om hun medewerkers onderzoek te laten doen. Het is dus steeds vaker het geval dat er voor individuele medewerkers extern gefinancierde onderzoeksfinanciering nodig is om onderzoekstijd ‘vrij te kopen’. Het gevolg van dit alles is dat er steeds meer een tweedeling onder de universiteitsmedewerkers tussen onderzoekers en docenten ontstaan is.

Nu is er niks mis met specialisatie en arbeidsdeling, maar het huidige overheidsbeleid voor de wetenschap doet alsof werknemers met bijna dezelfde opleiding en randvoorwaarden honderd(en) keer productiever dan hun collega’s zijn. Dat druist in tegen het gezonde verstand en is ook nog nooit wetenschappelijk onderbouwd.

Dus hoewel uit wetenschappelijke studies blijkt dat het Nederlands beleid een groot rendement uit het uitgegeven onderzoeksgeld haalt, is daarmee niet aangetoond dat het huidige beleid niet kansen laat liggen waardoor er meer rendement mogelijk is. Noord-Amerikaanse studies tonen bijvoorbeeld aan dat de meerwaarde van elke uitgegeven euro per onderzoeker op een gegeven moment afneemt, en dat meer relatief kleinere beurzen meer rendement opleveren. In Nederland investeren we dus bijna zeker te veel in de lokale top en te weinig in het niveau daar net onder.

Bovendien, omdat de slaagkansen voor onderzoek relatief laag zijn, krijgt de overheidsfinanciering steeds meer het karakter van een loterij. Dat leidt tot ongelooflijk veel verspilde tijd in het voorbereiden en aanvragen van niet gehonoreerde onderzoeksaanvragen.

De wetenschapsfilosofe Helen de Cruz schatte onlangs dat in Nederland meer dan 300 jaar onderzoekstijd per jaar verloren gaat in het voorbereiden en evalueren van niet gehonoreerde onderzoeksvoorstellen. Uit Canadees onderzoek blijkt dat het bij veel onderzoekers efficiënter zou zijn om hen te vrijwaren van onderzoeksaanvragen en gewoon direct, zonder competitie, relatief kleine onderzoeksbudgetten te geven Om dit probleem aan te pakken is in Vlaanderen onlangs besloten om de slaagkans structureel te vergroten.

Tenslotte, het Nederlandse onderzoeksbeleid is gericht op maatschappelijke impact en economische valorisatie. Het onwerkelijke is dat in de huidige financiering en de beoordelingscriteria die daarmee gepaard gaan de impact op studenten helemaal niet meegewogen wordt.

Integendeel, zoals ik al vermeldde, onderzoek en onderwijs worden steeds meer als elkaars tegenpolen gezien. Nu is het in sommige wetenschappelijke disciplines ongetwijfeld zo dat er een kloof is tussen toponderzoek en wat zelfs research master studenten hoeven te weten. Maar de grootste maatschappelijke impact van het meeste onderzoek is nog altijd in de collegebanken. Door het voor onderzoekers onaantrekkelijk te maken om contacturen met studenten te maken ondergraaft het wetenschappelijk beleid uiteindelijk zichzelf.

Het is begrijpelijk dat de politiek democratische keuzes wilt maken over de aard van onderzoek; wie betaalt, die bepaalt. Maar het is onverstandig dat de overheid de kennis van zaken over hoe het geld efficiënt en verstandig te besteden structureel negeert.