Affichekunst van bezetter en verzet

Vlnr: Afgekeurd ontwerp voor Nederlandse postzegel met nazi- overdruk.Affiche uit 1933 van de Onafhankelijke Socialistische Partij.Affiche van de Waffen SS uit 1942. Bijzondere Collecties UVA

Zou het twintig jaar geleden ook hebben gekund: het affiche voor de zwaar antisemitische film De Eeuwige Jood op dezelfde tentoonstelling als de clandestiene ‘druksels’ van H.N. Werkman, de verzetsman die april 1945 door de bezetters werd geëxecuteerd?

Bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam is GOED FOUT geopend, een opmerkelijke tentoonstelling over grafische vormgeving in en rond de Tweede Wereldoorlog. Niet eerder zijn de vormgevers van de haat en het ‘bruine boek’ zo gelijkwaardig samengebracht met collega’s die zich teweerstelden tegen het nationaalsocialisme en zich in de oorlog bezighielden met het vervalsen van persoonsbewijzen en het drukken van clandestiene werken, zoals Jan Bons en Otto Treumann.

De keuze om zonder moreel kompas de grafische vormgeving in oorlogstijd te belichten, verruimt de blik. De grootste verrassing is de kwaliteit en de zeggingskracht van de beste ‘foute’ grafische vormgeving, die niet onder doet voor de meer bekende ‘goede’ voorbeelden.

In het Derde Rijk waren affiches een belangrijk propaganda-instrument. Een sterk beeld, weinig woorden en een onontkoombare boodschap – zo zag Joseph Goebbels, de minister van Propaganda in nazi-Duitsland, het graag: „Das sind die besten Bildplakate, die auch ohne Tekst alles Notwendige sagen.” Die opdracht hadden de affichemakers van de NSB goed begrepen. Neem bijvoorbeeld een groot biljet uit 1940, met een voorstelling die aan de Franse graficus Cassandre herinnert: een zwaard, een meeuw en een rokende schoorsteen met de slogan: ‘Vrijheid - recht - welvaart’.

GOED FOUT is een enigszins misleidende titel. Dat de oorlogsjaren niet zijn te reduceren tot ‘goed’ en ‘fout’, zoals in het verleden te vaak is gedaan, wordt benadrukt in de presentatie. De affiches worden gegroepeerd getoond op gekleurde achterwanden. Het affiche voor ‘De Eeuwige Jood’ hangt op een zwarte wand. Minder rabiate biljetten hebben grijs als achtergrondkleur.

Aan het eind van de tentoonstelling wacht nog een verrassing: een tweede expositie over vijf kunstenaars in oorlogstijd, samengesteld door negen studenten. Ook daar is het goed/fout-thema leidend. Verzetsman H.N. Werkman was uiteraard goed, Eduard Gerdes, de NSB-portretschilder, fout. Maar hoe zat het met Karel Appel? De schilder die na de oorlog wereldfaam verwierf, was een meeloper. Hij studeerde in de oorlog aan de Rijksacademie in Amsterdam, was lid van de Kultuurkamer en verkocht zijn kunst aan de bezetters.

Dat het oorlogsverleden van Appel later nooit echt een punt is geworden, dankte de Cobra-schilder voor een belangrijk deel aan het opportunisme van Willem Sandberg, de oud-verzetsman die in 1945 directeur werd van het Stedelijk Museum Amsterdam. Bij mindere kunstenaars gebruikte Sandberg het oorlogsverleden als excuus om niet met hen te werken. Maar bij de bewonderde Appel liet de directeur zich niks gelegen liggen aan diens grijze verleden.