Zin en onzin van het bandenplakkersritueel

foto thinkstock

Hoe maakten de Italianen in de achttiende eeuw macaroni? Dat werd deze week niet helemaal duidelijk. Is er een objectieve maat voor de kleefkracht van plakband? Ook niet. Treedt er slijtage op tussen de binnen- en buitenband van een fiets? Evenmin. Wie vond de solutie uit? Daar valt wel wat van te zeggen.

‘Solutie’ is de naam die wij in Nederland gaven aan de geurige lijm waarmee rubberen plakkers op lekke binnenbanden worden geplakt. Het goedje is vooral bekend geworden van de Simson-reparatiedoosjes die op hun beurt werden vernoemd naar de fabriek waar de solutie werd geproduceerd. Het ‘Simson’ sloeg, volgens Wikipedia, op de formidabele kleefkracht die fabrikant Louis Wijnberg aan zijn product toeschreef. Wijnberg had in Groningen in 1881 een fabriek voor poetsfabrikaten en anilineverf opgericht en toen Dunlop in 1888 de opblaasbare binnenband patenteerde ging hij ook solutie produceren. Voor de reparatie. Wijnberg heeft de solutie uitgevonden, zegt Wikipedia.

Maar wat wás solutie? Rubberlijm op basis van tolueen, zegt de volksencyclopedie. Rubbergranulaat opgelost in tolueen met benzine, zei vijftien jaar geleden de firma die de productie van Simson-solutie gaande houdt. Het was rubber in benzeen, zegt de oude Winkler Prins, maar later is het benzeen vervangen door het minder giftige tolueen.

Dat laatste is zó expliciet dat het wel waar moet zijn. Benzeen, destijds ook wel ‘benzin’ genoemd, was al sinds 1850 te koop als een vlekkenwater waarin de meest uiteenlopende vetten, oliën en harsen bleken op te lossen. Het lag voor de hand dat Wijnberg het ook eens met rubber probeerde. Dat de Indische krant ‘De locomotief’ in 1897 schrijft dat ‘solution’ een mengsel is van van caoutchouc en naphta moet dan wel een misverstand zijn. Of het betekent dat solutie helemaal niet door Wijnberg is uitgevonden.

Hoe het zij, het is een mirakel dat de oude bandenlijm ongewijzigd in gebruik kon blijven toen het natuurrubber van de binnenbanden na de oorlog geleidelijk door butylrubber werd vervangen. Benzeen-tolueen, natuurrubber-kunstrubber, het maakte kennelijk niet uit, het luisterde helemaal niet zo nauw, de plakkers plakten toch wel. Geen enkel probleem.

Bedenk hoe dit contrasteert met de nauwgezette aanwijzingen die nog steeds voor het bandenplakken worden verstrekt: de plek rond het lek altijd eerst grondig opschuren, dan goed insmeren met een minimale hoeveelheid solutie, die 4 tot 5 minuten laten drogen, de plakker stevig aandrukken, weer 5 minuten wachten en dan afpoeieren met talk. Wie het anders doet haalt zich de grootste ellende op de hals.

Maar dóe het eens anders: vergeet het schuren, smeer de lijm er lekker dik op, laat maar 15 seconden drogen, enzovoort, en stel vast: er gaat niets mis. En talkpoeder? In het buitenland gebruiken ze kalkpoeder: poeder van calciumcarbonaat. Of aardappelzetmeel.

Het bandenplakken zit gevangen in gekoesterde overlevering en onbegrepen traditie. Oude aanwijzingen zijn rituelen geworden. Er hadden natuurlijk al lang klevende plakkers of tapes moeten zijn waarmee het butylrubber zonder de tussenkomst van lijm gerepareerd kon worden. De rijksoverheid heeft de te belikken beenderlijm achter op haar postzegels uiteindelijk ook losgelaten.

De talkpoeder is een relict uit de tijd dat natuurrubber (gummi) die warm werd, of oud, ging kleven. Moderne binnenbanden kleven niet. Toch heeft de poeder misschien een functie: bij het verminderen van de wrijving tussen buitenband en binnenband. Want als de waarneming niet bedriegt, veroorzaakt die veel slijtage, vooral rond de opstaande randen van de velg. Je ziet het aan lokale verruwing van het butyl. De smerende werking van talk zou dit kunnen tegengaan, maar er blijft waarschijnlijk weinig van over zodra er water tussen de banden dringt.

De AW-wielerploeg tobt de laatste maanden met banden – genuine Chinese shit, waarschijnlijk – die om de haverklap lek raken. Zij is doorkneed geraakt in het plakken en heeft zich onder het plakken van alles afgevraagd. Of je niet gewoon met Tesa-tape of ducktape kunt repareren, of nat kalkpoeder misschien beter smeert dan nat talkpoeder en of er misschien structurele slijtgevoeligheid zit in de moderne Chinese binnenband. Want de lekken ontstaan zelden onder het loopvlak en opvallend vaak aan de zijkant van de band, bij voorkeur onder ribbels in het kunstrubber.

Opeens was daar de vraag: worden binnenbanden tegenwoordig anders gefabriceerd dan vroeger? Vroeger werden banden geproduceerd zoals elders macaroni: ze kwamen als eindloze buizen tevoorschijn uit een extrusie-machine. De buizen werden in stukken gesneden en de uiteinden werden weer aan elkaar gelast. De vingerbrede las was altijd goed te zien.

Maar kijk nu eens naar een moderne binnenband: er is geen las meer te vinden en bovendien is het kunstrubber voorzien van allerlei profiel dat godsonmogelijk bij het extruderen kan ontstaan. Dwarsribbels bijvoorbeeld. Opeens was er het vermoeden dat binnenbanden tegenwoordig over hun volle lengte worden gelast omdat ze uit lange rechthoeken worden samengevouwen.

Maar nee, ’t zit anders. Extrusie is nog steeds de hoofdbewerking en het lassen van de buisuiteinden gaat nog ongeveer zoal vroeger, bekijk het op de schokkende YouTube-film How It’s Made: Inner Tubes. (Daar is ook het calciumcarbonaat weer!) De raadselachtige ribbels ontstaan pas ophet moment dat de voltooide, opgeblazen band bij wijze van eindbewerking in een hete matrijs wordt gebracht. Het neemt niet weg dat ze toch extra lekgevoeligheid kunnen opwekken.

Waarom is de YouTube-film schokkend? Bekijk het zelf.