Paradijs en hel

S. Montag

Een gemoderniseerd mopje. Twee jongetjes van een jaar of tien zijn druk met hun iPad in de weer. Bewegen razendsnel hun vingers over het schermpje, er komt muziek uit, ze bekijken de plaatjes, kortom ze doen alles wat je zulke kinderen ziet doen, in de tram, op een bankje in het park, terwijl ze op de fiets zitten, overal. Opeens zegt jongetje A: Als jij iets mocht uitvinden, wat zou dat dan zijn? Jongetje B: een knopje waardoor ik niet meer al dat gedoe met mijn vingers zou hoeven te doen. En jij? Jongetje A: Een knopje waardoor ik niet meer op dat knopje van jou zou hoeven te drukken.

Leuk? Nou, matig. Maar er zit wel een grond van waarheid in; liever gezegd, de grondslag van alle uitvindingen is ermee weergegeven. De mens vindt iets uit omdat daarmee een bepaalde opgave sneller en gemakkelijker kan worden volbracht.

Soms gaat het toevallig. De uitvinder ziet iets waardoor dat mogelijk wordt. Het beste voorbeeld vind ik het wiel, uitgevonden omstreeks 3500 voor Christus. Je vraagt je af hoe dat gegaan is. Daar zat een oude Germaan op een omgewaaide boom. Hij moest een zware last naar zijn hut torsen, was halverwege en doodmoe. Hij strekte zijn benen en toen merkte hij dat die boom een beetje mee begon te rollen. Het idee was geboren. Hoe die man toen, voor het eerst in de wereldgeschiedenis die boom als wiel heeft gebruikt, gaat boven mijn voorstellingsvermogen.

Maar uitvindingen stapelen zich op. Na het eerste wiel kwam de as met twee wielen, de grondslag voor de wagen. Er werd een ezel of een paard voorgespannen. Zo werd het leven nog gecompliceerder. Het is een vergissing te denken dat uitvindingen het leven alleen gemakkelijker maken.

Over het algemeen kun je het werk wel sneller doen maar het wordt ook ingewikkelder en de kans dat er iets misloopt groter. Denk aan onze spoorwegen. Je weet niet wat er verkeerd is gegaan, maar er komt geen trein. Gelukkig is ook de luidspreker uitgevonden. Daaruit komt een stem die je bevestigt dat er vertraging is.

Ik denk dat ik een van de eersten ben die met digitaal schrijfgereedschap is gaan werken, ergens begin jaren tachtig. Ik kocht een Canon die op vier dikke batterijen werkte. Op een smal displeetje boven de toetsen verscheen de regel die je getikt had, en drukte je op enter dan werd het geschrevene op papier gezet, een vel dat je erin moest draaien, net als bij een gewone schrijfmachine. Ik ging ermee naar de Sovjet-Unie, een lange reis. In Moskou deed het ding het opeens niet meer. Batterijen leeg. In de hele stad waren geen batterijen van dat type te koop. Ik werd teruggeworpen op de ballpoint.

Leren kinderen nog hoe je met een pen moet schrijven? Dat zal wel. Maar thuis hebben ze allemaal een computertje waarmee ze beter omgaan dan hun ouders die nu op z’n jongst al tegen de dertig lopen en dus nog horen tot de Batavieren van het computertijdperk. De meesten zullen digibeten zijn. Ze worden radeloos als dat platte kastje niet meer doet wat ze willen, en worden tenslotte overvallen door wilde woede. Computerrage.

Mij overkwam het deze week. Kennelijk had ik op een verkeerde toets gedrukt. Plotseling was het beeld in mijn schermpje radicaal veranderd: de letters twee maal zo groot en de regels achterstevoren eindigend. De taakbalk geraadpleegd, die regel bovenaan je scherm die je in staat stelt, letterlijk alles met je tekst te doen. Als je weet hoe het moet. Ik wist het niet, heb mijn stukje in die monsterachtige vervormingen verstuurd en niets meer gehoord. Goed afgelopen. Waardoor weet ik niet.

De uitvindingen blijven zich opstapelen, onvermijdelijk. Niet zo lang geleden had je ook de toekomstromans, van Zamjatin, Huxley, Orwell. Daarin kon je lezen waar het met de beschaving waarschijnlijk naartoe zou gaan. Zulke boeken worden niet meer geschreven. Is het einde van het uitvinden in zicht? Dat zou het einde van de mens betekenen, zoals wij hem kennen. In het uitvinden zie je twee grote ontwikkelingen: naar het absolute nietsdoen met het absolute vermaak, en naar het absolute wantrouwen. Schrijf er eens een boek over.