Niemands meester, niemands knecht

Een kaste van controleurs ziet toe op de risicoarme maatschappij en roept weerzin op. Toch lijkt het vaak of de burger zelf het initiatief neemt om zijn vrijheid en privacy in te ruilen voor veiligheid en surveillance, constateert Tommy Wieringa in de Kousbroeklezing.

illustraties pepijn barnard

Vrijwel iedereen heeft ergens tussen zijn dertiende en achttiende levensjaar fantasieën over de inrichting van de wereld. Bij sommigen duren ze langer, zij worden politicus, maar bij de meeste mensen sterven ze een langzame dood en is er zo tegen hun veertigste alleen nog een vage democratische reflex van over.

De hevige politieke wanen waarmee ik in mijn jeugd was behept, ontwaakten in het hart van de Koude Oorlog en ontwikkelden zich vlotjes in de richting van een soort collectief anarchisme, wat niet zozeer werd ingegeven door koele redenatie maar door hormonen en een pesthumeur. Van een ontwikkeling was eigenlijk niet eens sprake, ik werd radicaal wakker. Nog voor ik goed en wel begreep wat ‘staat’ betekende en hoe diep hij in het leven van zijn burgers ingreep, was ik ertegen. Misschien niet tegen hem als principe, maar dan toch zeker tegen hoe hij zich aan me voordeed. Het systeem riep een wilde afkeer in me wakker, het waren heftig gepolitiseerde jaren, beheerst door politiek geweld, waarbij de kogel overigens vaker van links kwam dan van rechts. We bevonden ons op de grote breuklijn van de wereld, tussen twee soorten propaganda in, op het slagveld van de nabije toekomst; wat de eerste twee wereldoorlogen nog overeind hadden gelaten, zou door de derde met de grond gelijk worden gemaakt.

De leefgemeenschappen waar het linkse vrijheidsdenken werd beleden, kraakpanden en communes, waar ik gelijkgestemden had kunnen vinden, hebben me altijd met weerzin vervuld. De krakers omdat ik de pest had aan hun honden en de povere troep waarin ze leefden, de communes omdat de walm van macrobiotiek me niet beviel – het voedsel was er even vreugdeloos als de gedachtewisseling.

Niemand leeft in een politiek-economisch systeem dat hij zelf gemaakt heeft. We worden als mieren in een kolonie geboren en vervullen onze rol naar de wetten en gebruiken die de mieren voor ons hebben achtergelaten, als ‘ingrediënt van een maatschappelijk patroon’.

Ik ben geboren in een constitutioneel geregeerde monarchie, een grondwet beschermt me tegen de ergste vormen van willekeur. De democratie is niet alleen een politiek model, maar ook de beste geleider van het kapitalisme. Mijn hele leven heb ik gehoord dat dit model het minste van alle kwaden is; democratie en kapitalisme zijn de beste garantie voor een maximum aan persoonlijke vrijheid. Dit is de beste van alle mogelijke werelden. Hier heeft de geschiedenis ons gebracht, dit is het einddoel van de lange mars. Ons rest enkel nog vervolmaking.

Daarvoor ijveren onvermoeibaar onze politici. Luister naar C. Bakker, gewezen D66-wethouder te Leidschendam. „We zijn naar een manier gaan zoeken om de mensen die vrije strook land naast het spoor op te krijgen. Dat resulteerde in het bordje ‘loslopende honden toegestaan’. Enerzijds is het een steuntje in de rug voor de hondenbezitter. Anderzijds maken we hem rijp voor de gedachte dat het in de toekomst hier eventueel niét is toegestaan om de hond los te laten lopen.

„Dat paaltje midden op het grindpad heeft in de drie jaar dat het er nu staat misverstanden, ongelukken en misschien doden voorkomen. Iedere alledaagse situatie herbergt een potentiële ramp. Het hangt van toevalsfactoren af hoe zo’n situatie zich ontwikkelt. Het is mijn taak de toevalsfactor zo veel mogelijk te beperken.

„Als ik een zware avond in de raad heb gehad, rijd ik soms een uur rond door de gemeente. Om te kijken wat er allemaal bereikt is, maar vooral om te kijken wat er allemaal nog te doen staat. En iedere keer weer zie ik dat er nog heel veel gedaan moet worden voor iedereen weet waar hij aan toe is.”

In C. Bakker is moeilijk een bevlogen utopist te ontdekken, maar dat verandert als we lezen wat Jacq Vogelaar in Raster schreef over de utopische denker Charles Fourier en het vreugdeloze fanatisme waarmee die zijn gedroomde wereld inricht: „Fourier wordt gedreven door een mateloze zucht tot classificeren en etiketteren, alles moet ten nutte worden gemaakt, zelfs de orgie wordt tot in de puntjes geregeld; geluk is in zijn wereld een matematiese aangelegenheid, de liefde een kwestie van algebra...”

De utopist in zijn volle glorie is niet meer dan een dorre bureaucraat die het landschap en de ziel inricht naar zijn voorkeur. Wethouder Bakker is een crypto-utopist die poseert als democraat. Niemand kan ontsnappen aan zijn neurotisch paternalisme, dat volgens Kant „de ergste vorm van despotisme is die men zich kan voorstellen”.

Ook wij ontkomen niet aan vormen van despotisme, het democratische staatsbestel is er zelfs in de verste verte geen garantie voor. Sterker, schrijft Isaiah Berlin in Twee opvattingen van vrijheid, „democratie kan misschien een bestaande oligarchie, een bevoorrechte enkeling of groep individuen ontwapenen, maar het kan individuen nog steeds even ongenadig onderdrukken als welke andere heerser dan ook”.

Het is beslist een opluchting dat we aan de onderdrukking van priesters en koningen ontkomen zijn, maar daarvoor in de plaats heeft zich de staat tot in de fijnste vertakkingen van ons bestaan genesteld. In de materiële wereld, waar je kinderen een paar dagen langer mee op vakantie wilt nemen of een schuurtje wilt bouwen, en in de digitale wereld, waar bijna al je bewegingen worden gevolgd en geïnterpreteerd. De staat gedraagt zich niet zoals hij zou moeten doen – idealiter zoals een goede ober, op discrete afstand en adviserend op verzoek – maar onbescheiden en intrusief. Met de vanzelfsprekendheid van een natuurwet en de brutaliteit van een gangster overschrijdt hij voortdurend de grenzen van de persoonlijke levenssfeer, een terrein dat krimpt en krimpt, net zo lang tot er geen privacy meer bestaat, een moment dat volgens Mark Zuckerberg al lang is aangebroken: „Het tijdperk van privacy is voorbij.”

Er is vrijwel geen levensterrein meer te bedenken waarover de overheid geen opvatting heeft, waarop ze geen invloed probeert uit te oefenen, waar ze zich niet onmisbaar probeert te maken. John Stuart Mill, die de opdringerigheid van de staat in zijn eeuw al verafschuwde, zou in de onze verbijsterd zijn hoofd schudden en niet weten waar hij moest beginnen om de ongeoorloofde inmenging in de privésfeer bloot te leggen.

A.L. Snijders, een snuffelende schrijver die veel met de mensen praat over hoe ze leven, schreef eens over een bezoek aan een molen in de Achterhoek. „De molenaar van Vierakker is geboren in de molen die de grootvader van zijn vader heeft laten bouwen. Al die tijd proberen de muizen en ratten hun graantje mee te pikken. De molenaars verdedigen zich door gif te strooien in kleine kistjes met een gat erin. Nu mag de huidige molenaar dat niet meer eigenhandig doen. Sinds enkele jaren komt er een ambtenaar gif in de kistjes doen, vier keer per jaar. De molenaar moet daarvoor 400 gulden betalen. Daarvoor krijgt hij een bewijs dat hij het ongedierte bestrijdt. Als hij dat bewijs niet heeft, moet hij zijn bedrijf sluiten, want een molenaar moet het ongedierte bestrijden. De meeste mensen in de buitenwijken van L. denken dat dit een goede maatregel is, die verband houdt met de volksgezondheid. Ikzelf zie het allemaal heel somber in.”

Dat is een belangrijke karakteristiek: de staat die zijn surveillance legitimeert door te waarschuwen voor de dreiging van een derde partij, die ons, als de staat niet ingrijpt, schade zal berokkenen. De molenaar die het ongedierte niet bestrijdt, de pedofiel die in een chatbox onze kinderen verleidt, de uitkeringsfraudeur die het verpest voor de goedwillenden en de terrorist die de samenstelling van een explosief googelt. De woorden ‘fraude’ en ‘terrorisme’ zijn het Sesam-open-u van de privacy; noem ze en ons privéleven wordt openbaar en onze grondrechten verdampen. Om onze vrijheid op lange termijn te beschermen, maakt de overheid zich er op korte termijn meester van. De overheid gedraagt zich als een pooier, die beschermt wie zij in feite gijzelt.

In Heeg sprak ik eens met een campinghoudster die verplicht was tweemaal per week de glijbaan en de schommels op de speelweide te controleren. Eens in de zes weken kwam er een controleur uit het westen om te controleren of zij het goed had gecontroleerd. „Het vervelende is”, zei ze, „dat het nog hartstikke duur is ook – kosten die ik moet doorberekenen aan mijn klanten.” Protectiegeld, in maffiatermen.

Een kaste van controleurs ziet toe op de risicoarme maatschappij. Het roept bitterheid en weerzin op, zeker, en soms ook de behoefte om het leven uit een parkeerwachter of een stadswacht te knijpen, maar toch lijkt de sluipende vrijheidsroof in veel gevallen het karakter te hebben van een transactie, alsof de burger zelf het initiatief neemt om zijn vrijheid en privacy in te ruilen voor veiligheid en surveillance. Met andere woorden: aan controle gaat vaak de vraag om controle vooraf: iemand die een bekeuring uitdeelt aan de eigenaar van de hond die voor je deur poept, iemand die legbatterijeieren onderscheidt van scharreleieren, iemand die toezicht houdt op de herkomst van je biefstuk.

Alleen controleert de controleur nu niet alleen de anderen, maar ook jou. Daarmee is vrij terrein verloren gegaan dat niet meer terug te winnen valt, want naar het schijnt heeft de overheid de bek van een snoek: wat erin gaat, kan er, door de naar achteren gerichte stand van de tanden, nooit meer uit.

Gaat het bij de molen van Vierakker en de camping in Heeg nog over goede, oude controle door de overheid, analoog als het ware, met loopjongens die gif strooien en de wipwap inspecteren, in onze tijd is daar een digitale component aan toegevoegd. Nog altijd rijdt er eens in de zes weken een controleur naar Friesland, maar in gekoelde datacenters zoemen ook high performance ‘computing-systemen’ die met ongekende rekenkracht onze levens analyseren. De jacht voor de voet heeft er de drijfjacht bij gekregen. De digitale toepassingen voor controle en repressie geven de jager een onbelemmerd schootsveld; het is een heldere dag, geen beweging ontgaat hem.

In 2014 werd een nieuw opsporingsinstrument operationeel, de Systeem Risico Indicatie (SyRI), dat op ongekende schaal privégegevens van burgers verzamelt en koppelt. Gemeenten, het UWV en de Belastingdienst zijn alvast gretige gebruikers van SyRI, die zij ‘de wasmachine’ noemen. In de buik van die machine verdwijnen alle burgergegevens met betrekking tot arbeid, bestuursrechtelijke maatregelen en sancties, detentie, fiscale gegevens, gegevens over huisvesting, inburgering, re-integratie, schuldenlasten, uitkeringen, vergunningen en zorgverzekeringen. Kortom, alles wat wij delen met de overheid wordt door SyRI gecombineerd en geanalyseerd, zodat afwijkingen vlug kunnen worden gefilterd.

De Systeem Risico Indicatie bedient zich van volksvijandige software. Haar controle is permanent. De overheid en de terrorist hebben hun mensbeeld gemeen: er zijn geen onschuldigen. In een brief aan de Duitse filosoof Jürgen Habermas schrijft cultuurfilosoof Peter Sloterdijk: „Zelfs het naziregime was technisch langzamer en aanzienlijk minder gesynchroniseerd dan de totale openbaarheid van nu.”

Het moet aangenaam zijn om erop te vertrouwen dat de overheid jouw welzijn permanent in het oog houdt en er niet op uit is om je kwaad te doen, je te vernietigen zelfs. De recente geschiedenis is aan je voorbijgegaan, gaskamers en kapmessen, genocides en tirannieën beschouw je hooguit als vergissingen van het verleden. In het politiek gematigde klimaat waarin je leeft worden geen fouten gemaakt, niet ten nadele van jou in elk geval, jij hebt niets te verbergen, je leven is een open boek; in feite is je goedgelovigheid te wijten aan een volslagen gebrek aan verbeelding.

Maar waar het op seksualiteit aankomt, is het misschien voor iedereen nuttig om zijn voorkeuren voor zichzelf te kunnen houden. Ook moderne staten hebben gedachten over de menselijke seksualiteit, en de seksuele moraal is gebleken een wisselvallig en hoogst onbetrouwbaar instrumentje te zijn. In 1952 werd in Engeland de computerpionier Alan Turing veroordeeld vanwege een homoseksuele verhouding. Turing werd chemisch gecastreerd door hem een jaar lang oestrogeeninjecties toe te dienen; hij werd impotent en kreeg borsten. Twee jaar later pleegde hij zelfmoord.

Van recenter datum is de ervaring van de Amerikaanse hoogleraar economie Donald McCloskey. In 1994 werd hij tijdens zijn eigen hoorcollege in de boeien geslagen en afgevoerd omdat zijn familie hem wilde beletten een geslachtsverandering te ondergaan. Politie en justitie waren de familie ter wille, McCloskey verdween in een psychiatrische inrichting. Deirdre McCloskey, intussen vrouw en internationaal vermaard econoom, heeft de seksuele repressie van de staat aan den lijve ervaren. „Ik heb een levendige kennis van hoe gevaarlijk staten zijn. En hoe ze, als je eenmaal in handen van de regering gevallen bent, met je kunnen doen wat ze willen. (..) Ik zie de regering als een roversbende in wier klauwen we gevallen zijn en die een monopolie heeft op geweld.”

Nog maar kortgeleden werd in Nederland vereniging Martijn verboden omdat ze pedofilie zou verheerlijken en de gevolgen ervan voor kinderen bagatelliseerde. Er waren geen strafbare feiten begaan, er waren geen daders en geen slachtoffers, de vereniging werd verboden om haar seksueel aberrante voorkeuren. Ook seks is politiek. Al deze voorbeelden vonden plaats in moderne staten met functionerende democratieën; ze bewaakten de moraal en vergrepen zich vervolgens aan de ziel en het lichaam van hun burgers.

Nu moeten we er zo langzaamaan naartoe wat de gevolgen zijn voor de mens die deze dingen bewust ondergaat. Welk effect heeft digitale surveillance, het voortdurende bewustzijn van inspectie op een sensibel mens, op zijn ziel? Met het woord ‘inspectie’ verschijnt de utilitarist Jeremy Bentham ten tonele. Hij ontwierp in 1791 een instelling voor gevangenen, het beruchte panopticum, een ‘simpel architecturaal idee’ bestaande uit een ronde constructie die wij nu kennen als een koepelgevangenis, met een zuil in het midden waarin the inspector zetelt. Die heeft onbelemmerd zicht op de gestraften, die hem niet kunnen zien. Zijn onzichtbaarheid is essentieel. Hij controleert vanuit een volkomen donkere plaats in onzichtbare alomtegenwoordigheid, en corrigeert de gevangenen via een spreekbuis. „Ik zal de meest weerspannige gevangene uitkiezen. Ik zal hem onafgebroken gadeslaan. Ik zal kijken tot ik een overtreding zie. Die zal ik noteren. Ik wacht op de volgende. Die zal ik ook noteren. Ik zal hem onafgebroken bespieden: hij mag doen wat hij wil die dag, zo lang het niets al te ernstigs is. De volgende dag zal ik hem mijn opsomming overhandigen – Jij dacht dat je ongezien was: je hebt misbruik gemaakt van mijn inschikkelijkheid: zie hoe je je hebt vergist.”

Het zenuwcentrum van het panopticum is in wezen niet meer dan een leegte; het idee van een alziend oog is voldoende om de mens te disciplineren. Benthams gevangenen weten dat ze volledig worden doorzien in het lichtovergoten universum van het panopticum.

Meer dan tweehonderd jaar later noemen we deze techniek ‘hoogwaardig handhaven’ – door het net rond de burger zo strak aan te halen dat hij weet dat ontsnappen onmogelijk is, zal hij zichzelf op voorhand corrigeren; nog voor de overtreding komt hij tot inkeer. In de woorden van een directeur van een regionaal fraudecentrum: „De preventieve elementen zijn cruciaal om op de repressieve lijn de juiste dingen te kunnen doen. Je moet wel weten dat je niet door rood mag rijden, anders ontstaan er misverstanden. De overheid moet dus haar dienstverlening ook op orde hebben en goed communiceren. Pas dan kun je ook repressief zijn – controleren en sanctioneren – en ben je bezig met hoogwaardig handhaven.”

Wat een uitstekend begrip van Bentham hebben moderne staten zonder hem gelezen te hebben! En hoe volledig is de disciplinering geslaagd met een burger die de onafgebroken inspectie begroet met een wezenloos ‘ik heb toch niets te verbergen’! Zijn conditionering is een ongekend succes: de moderne mens is een gelukkige slaaf met een slaafs geluk. Zijn individualiteit is teruggebracht tot een consumentenhouding en zijn vrijheid tot een ruilobject. Hij is in feite even transparant als de Caenorhabditis elegans, een doorzichtige rondworm van nauwelijks een millimeter lengte: het eerste organisme waarvan het genoom volledig in kaart werd gebracht.

Het is een vergissing de mens te beschouwen als een vrijheidslievend wezen dat, als de druk op hem maar voldoende wordt opgevoerd, Bastilles bestormt en Arabische Lentes ontketent – revoluties die hem over het algemeen eerder meer dan minder ellende bezorgen. Van zijn vrijheidsliefde blijft weinig over als je zijn behoeftes bevredigt, zoals in Singapore, waar de autocraat Lee Kuan Yew keer op keer herkozen werd omdat Singaporezen veiligheid en welvaart verkozen boven hun individuele vrijheid.

Misschien is de negatieve vrijheid van Berlin, de vrijheid van dwang en inmenging van een reusachtig systeem, wel alleen weggelegd voor hen die het taaie deeg van de overheden van zich af weten te schrapen, voor proleten met een zak vol fuck you-money op een Zwitserse bank, die in staat zijn de vrijheid te veroveren en een wolf ten koste van de schapen zijn. Anderzijds behoort ze toe aan de wijze die stil op zijn kussen zit te mediteren en de vrijheid van de ontwaakte geest zoekt – wat begint met geduldig verdragen en liefde voor je lot.

Ergens tussen de Exil van de kapitaalvlucht en de Innere Emigration van de zenboeddhist speelt de huidige individuele vrijheid zich af, dat is haar huidige bandbreedte. Hier de middelvinger en daar de meditatie op de laatste woorden van Eric Garner, die illegaal sigaretten verkocht op straat in New York en in zijn laatste contact met een overheidsdienaar steeds zwakker „I can’t breathe” uitbracht. Elfmaal zei hij dat, toen was hij dood.

Correcties en aanvullingen

Kousbroeklezing

De complete tekst van Niemands Meester, Niemands Knecht (11/4, O&D 8-9) de verkorte versie van de Kousbroeklezing van Tommy Wieringa staat in het literaire tijdschrift De Gids.