Moslims die bijna al hun geloofsgenoten verketteren

Aanhangers van Islamitische Staat denken dat zij als enige moslims de voorschriften van hun religie echt naleven. Maar moslimgeleerden en arabisten zien hun Koraninterpretatie als selectief winkelen.

Het afgelopen jaar riep Islamitische Staat (IS) een kalifaat uit in delen van Syrië en Irak. President Obama nam de islam in bescherming tegen deze niets ontziende jihadisten. Hij noemde de beweging ‘on-islamitisch’. En in zijn toespraak voor de Algemene Vergadering van de VN op 24 september zei hij dat IS „één van ‘s werelds grote godsdiensten perverteert”.

Het IS-kalifaat was niet onder de indruk. Obama’s Keniaanse vader was moslim en volgens de scherpslijpers van IS is de president, als niet-moslim, een afvallige. „Net een varken dat zich wentelt in uitwerpselen en les geeft in hygiëne”, schamperde een IS-militant op Twitter.

Maar de vraag blijft staan: is IS ‘on-islamitisch’?

De tienduizenden volgelingen beschouwen zich als een gideonsbende van waarachtige islamieten. Zij zien 99 procent van de 1,7 miljard andere moslims in de wereld als ongelovigen. Maar dat betekent niet dat IS buiten de islam valt, zegt Bernard Haykel, een Amerikaan met Libanese wortels. Hij is hoogleraar Midden-Oosterse studies aan Princeton University en maakt al tientallen jaren studie van het salafisme, een islamitische minderheidsbeweging waarvan IS de meest extreme vleugel vormt.

„IS denkt écht dat het Gods wil uitvoert”, antwoordt Haykel per e-mail, „het zijn oprechte gelovigen. Alleen, hun interpretatie van klassieke teksten is volslagen onhistorisch. Ze zeggen dat we terug moeten naar de zevende eeuw en ze ontkennen de complexiteit van een duizend jaar oude juridische en theologische traditie. Zij rechtvaardigen hun gruweldaden door te doen alsof die geschiedenis niet heeft plaatsgehad.”

Islamitische Staat bekommert zich niet om de geschiedenis, om de doodeenvoudige reden dat de beweging weinig toekomst ziet. Voor IS zijn er alleen begin en einde: de openbaring aan Mohammed, die licht bracht in de duisternis der onwetendheid (jahiliyya), en de naderende afrekening.

In de Koran staat een aantal verzen over de Dag des Oordeels (yawm ad-din), wanneer de doden opstaan en alle mensen ter verantwoording worden geroepen, maar die zeggen niets over een tijdstip.

IS leunt zwaar op een overlevering of hadith die in de 9de eeuw is opgeschreven door de Perzische geleerde Imam Muslim. Daarin wordt geschetst hoe het einde van de geschiedenis zich zal voltrekken. In Dabiq, een onbeduidend stadje in het uiterste noorden van Syrië, zal het gebeuren. ‘Op de Syrische velden’, zo heet het in Sahih Muslim boek 54, ‘zullen over niet al te lange tijd de legers van Medina en de troepen van Rum [Romeinen, Byzantium] elkaar treffen voor de eindstrijd.’ IS ziet zichzelf als dat moslimleger, en Rum, dat zijn de Amerikanen. Uitroeping van een grenzen overschrijdend kalifaat (khilafah), een toevluchtsoord voor alle ware gelovigen, speelt in dit doemscenario een belangrijke rol.

Islamitische Staat beschouwt het als zijn opdracht het Einde der Tijden te helpen voltrekken. En wie voor zichzelf zo’n grootse taak ziet weggelegd, deinst nergens voor terug.

Islamitische Staat ‘on-islamitisch’ noemen is niet terecht, zegt Bernard Haykel, maar je kunt uit de ideeën en gedragingen van IS geen conclusies trekken over ‘de islam’. „IS is een product van specifieke historische omstandigheden. Er is niets in de islam dat onvermijdelijk leidt naar IS.”

Theologische kritiek ‘Marteling en moord’

Moslims die IS bekritiseren, onder verwijzing naar een duizendjarige geschiedenis van tekstexegese, zijn er te over.

Op 19 september 2014 publiceerden 126 islamitische schriftgeleerden en juristen uit de hele wereld, van Argentinië en de VS tot Maleisië en Indonesië, een 5.000 woorden tellende open brief aan de Irakees Abu Bakr Al-Baghdadi. Twee maanden eerder had die zich laten uitroepen tot ‘kalief’ (khalifa) en ‘leider der gelovigen’ (amir al-mu’minin). De brief verwoordt de geloofsopvattingen van de hoofdstroom binnen de sunnitische islam.

Het eerste verwijt van deze geleerden geldt de willekeur waarmee IS klassieke bronnen gebruikt. In hun open brief noemen ze dit ‘selectief winkelen’ (cherry picking): alleen kiezen wat je aanstaat of kunt gebruiken. En die vrijheid neemt IS bewust.

In een YouTube-video van juli 2014 zegt IS-propagandist Abu Al-Baraa Al-Hindi: „Sla de Koran open, lees de verzen over jihad en alles zal duidelijk worden.” Bernard Heykal noemt dit ‘een fraai staaltje salafistisch literalisme’. „Salafisten vinden dat de bronnen (Koran, hadith) letterlijk moeten worden genomen en dat dit volstaat om moslims voor alle tijden en onder alle omstandigheden tot leidraad te dienen. Zij vinden dat deze teksten ‘transparant’ zijn, voor zichzelf spreken. Deze opvatting, dat de bronnen der openbaring eenvoudig te begrijpen zijn, dat iedereen zo’n boek kan oppakken en dat wie kan lezen het begrijpen kan, is bepaald geen gemeengoed onder moslims, en is dat ook nooit geweest.”

Dat je klassieke teksten niet naar believen mag knippen en plakken, maken de briefschrijvers duidelijk met hun kritiek op de geweldscultus van IS. De beweging schetst opzettelijk een militant, krijgshaftig beeld van Mohammed.

IS-woordvoerder Abu Muhammad Al-Adnani gebruikt regelmatig deze formule: ‘God zegene de Profeet Mohammed, die werd gezonden met het zwaard, als een genade voor alle werelden’. De ‘126’ noemen deze formule in hun open brief een ongeoorloofde vermenging van een Koranvers (soera 22, vers 107: ‘En niet anders hebben wij U gezonden dan als een genade voor alle werelden’) en de zinsnede ‘gezonden met het zwaard’. Die laatste is deel van een hadith en die zou slechts gelden ‘voor een bepaalde tijd, die sindsdien is verstreken’.

„Dat de profeet een genade is voor alle werelden”, aldus de geleerden, „kan onmogelijk afhankelijk zijn van het feit dat hij op een bepaald moment, om een bepaalde reden en in een bepaalde context het zwaard opnam.” En dit is geen louter academische kwestie, schrijven de 126 aan Al-Baghdadi, „want de onjuiste gelijkstelling van het zwaard en de Goddelijke genade vormt de essentie van (…) Uw misinterpretatie van de islam als een religie van bruutheid, marteling en moord.”

Voor een goed begrip: de ondertekenaars van de brief zijn géén hervormers. Zij spreken namens de behoudende hoofdstroom van de sunnitische islam. Die worstelt al eeuwen met het juridische en theologische onderscheid tussen wat ‘algemeen geldend’ is in de Koran en dat wat ‘voorwaardelijk’, ‘tijdsgebonden’ of ‘allegorisch’ is.

Dat onderscheid is niet eenvoudig. Want Mohammed was tegelijkertijd koopman, theoloog, prediker, politiek leider én krijgsheer. Hervormingsgezinde moslimgeleerden, zoals de Soedanees Abdullahi An-Na’im (1950), hebben geprobeerd die complexe profetische nalatenschap te ontleden. Zij onderscheiden twee boodschappen in de Koran. De eerste, gebaseerd op de verzen die tot de profeet kwamen toen hij, als banneling in Medina, een politieke gemeenschap aan het vormen was, zou bijzonderheden van de islamitische wet bevatten die misschien toepasbaar waren in zevende-eeuws Arabië, maar niet buiten die context.

De ‘tweede boodschap’ van de islam, vervat in de zogenoemde Mekkaanse verzen, zou de eeuwige beginselen van de islam bevatten, die waren bedoeld om geactualiseerd te worden volgens de eisen van tijd en plaats.

Dit scherpe onderscheid is door weinig geleerden overgenomen. Toch schrijven de ‘126’: „Het is verboden in de islam de werkelijkheid van de eigen tijd te negeren bij het afleiden van rechtsbesluiten.”

Geen excommunicatie ‘Zweer uw daden af’

Lichtvaardige excommunicatie of verkettering van medemoslims (takfir) werd hét breekpunt tussen Al-Qaeda en IS (zie kader). Het is ook één van de vele stenen des aanstoots tussen IS en de sunnitische hoofdstroom.

Volgens de 126 briefschrijvers geldt in de islam dat eenieder die zegt ‘Er is geen god dan God, en Mohammed is zijn Profeet’ (de geloofsbelijdenis of shahada) moslim is en niet mag worden weggezet als niet-moslim. IS verwerpt deze stelregel en vindt dat iemand alleen moslim is als hij zich houdt aan de geloofsplichten. Op die gronden heeft IS tijdens zijn opmars in Syrië en Irak duizenden moslims omgebracht.

De 126 halen Koranvers 4:94 aan: ‘Wie opzettelijk een medegelovige doodt, wacht als vergelding de Hel’, evenals een beroemde hadith (Al-Bukhari 6104), waarin de profeet zegt: ‘Wanneer iemand tegen zijn broeder zegt “o ongelovige” zal dat zeker waar zijn voor één van de twee’. De briefschrijvers concluderen: „Het is verboden in de islam om mensen te bestempelen als niet-moslims, tenzij zij openlijk hun ongeloof verklaren.”

De open brief bevat een samenvatting die de zonden van IS opsomt in 24 punten. Een greep: het is verboden in de islam om onschuldigen [ongewapenden, non-combattanten] te doden. Het is verboden in de islam om christenen of andere ‘mensen van de Schrift’ op enigerlei wijze te mishandelen. Herinvoering van slavernij is verboden in de islam, want die is afgeschaft bij universele consensus. Het is verboden in de islam mensen onder dwang te bekeren. En verder: het is verboden in de islam een kalifaat uit te roepen zonder de consensus van alle moslims.

De brief besluit met deze oproep aan de zelfbenoemde kalief Al-Baghdadi: „Heroverweeg uw daden; zweer ze af; toon berouw; stop met anderen kwaad te doen en keer terug naar de religie van barmhartigheid.”

De auteurs gaan niet zover dat ze ‘Islamitische Staat’ (ze schrijven die naam steevast tussen aanhalingstekens) ‘on-islamitisch’ noemen. Die terughoudendheid is volgens Bernard Haykel ingegeven door een theologische motief: een diepe afkeer van takfir, verkettering van medemoslims, precies wat IS stelselmatig doet.

Haykel noemt ook een niet-theologisch argument om IS niet zonder meer af te schilderen als dé baarlijke duivels van deze tijd: de historische context waarbinnen die beweging is ontstaan.

„Dat IS kon opkomen hangt overduidelijk samen met de chaos in Irak, met de uitsluiting van Iraakse sunnieten, die weer het resultaat was van de Amerikaanse invasie en bezetting. En met de chaos in Syrië, waar een regime heerst dat sunnitische moslims al evenzeer uitsluit. We zien twee grote Arabische landen, zij aan zij, allebei in chaos, en allebei met grote sunnitische gemeenschappen die worden uitgesloten. Met grote aantallen jongemannen die geen vooruitzichten hebben op werk en die zich gemarginaliseerd voelen. En die zich identificeren met een grotere moslimwereld, die in hun ogen al even gemarginaliseerd en vernederd is.

„Ik zie IS als symptoom van veel diepere, structurele problemen in de sunnitische Arabische wereld. Die houden verband met politiek, met gebrek aan onderwijs. Met autoritair bestuur. Met buitenlandse interventie. Met de vloek van de olie. Ook als IS verdwijnt, zullen de onderliggende oorzaken die IS voortbrachten niet verdwijnen. En die moeten worden aangepakt met decennia van hervormingen en veranderingen – niet alleen door het Westen, ook door de Arabische samenlevingen zelf.”