Column

Het ging van kwaad tot erger tussen de twee

Bij de uitgang van de Deen supermarkt, de laatste aanwinst van winkelcentrum Diemerplein in Diemen, werd ik aangehouden, of zeg maar gerust omsingeld, door drie pubers in jacks van de BankGiroLoterij die me per se, ze kregen uitbetaald per geworven deelnemer, twee gratis loten wilden geven.

Het gebeurde op zo’n dwingende manier dat ze meteen mijn sympathie hadden. Aanleiding was ‘Roberts 100daagse’, een periode van honderd dagen waarin de bekende televisiepresentator Robert ten Brink prijzen bleef weggeven.

Op mijn vraag „Wat voor prijzen dan?” zei de grootste van de drie: „Heel veel prijzen.”

„Achtduizend”, vulde zijn collega die een kop kleiner was aan, waarop de derde hem een klapje op het achterhoofd gaf.

„Achtduizend per dag, sukkel!”

De openbare tik op de vingers werd beantwoord met een trap tegen het scheenbeen, die ook weer niet werd gepikt. Het ging van kwaad tot erger tussen de twee, maar erg veel tijd om ervan te genieten kreeg ik niet.

„Niet naar hun kijken”, zei de grootste jongen, die het gedrag van zijn twee collega’s onprofessioneel noemde en zei dat dat er nou van kwam als je net als zij de hele dag ‘nee’ te horen kreeg als je van deur tot deur ging in de hoogbouw van Diemen.

„De mensen zijn stom, maar jij niet. Robert ten Brink is gek man, die geeft iedere dag heel veel prijzen weg.”

Ik: „Ja, achthonderdduizend prijzen in honderd dagen.”

Maar om wat voor prijzen het ging wist hij niet.

Hij keek naar zijn collega’s, die elkaar nu vanaf een afstandje vuil stonden aan te kijken.

„Wat voor prijzen dan, Mo? Wat voor prijzen?”

„Sapmachines en zo”, schreeuwde Mo terug.

Ik keek de andere kant op, naar de kleinste medewerker van de BankGiroLoterij, die de schouders ophaalde en ‘weekeindje weg’ riep.

Dat trok me over de streep.

Ik was bereid te tekenen.

„Hoeveel dan?”, vroeg de grote jongen.

Ik zag aan zijn gezicht dat mijn antwoord – één lot – hem niet licht viel. Bij het invullen van mijn bankrekeningnummer voor de automatische afschrijving, die ik ook automatisch weer teruggestort zou krijgen, ging het mis.

„Nee, die niet”, zei de grote jongen. „Ik moet IBAN hebben. Heb jij geen bankpas?”

Omdat die thuis lag en ik het IBAN-nummer niet uit het hoofd kende, moest ik uiteindelijk onverrichter zake weer gaan.

Tijdens het weg wandelen keek ik nog een paar keer om. De grote jongen trapte tegen een lantaarnpaal en riep ‘fuck IBAN’. Even later zag ik ze met z’n drieën maar weer naar zo’n flat sjokken.