Ik praat tegen het doek, ik vecht met het doek

Toen hij jong en arm was, ruilde Jan Cremer een schilderij soms „voor een brood”. Nu koopt hij oud werk terug en merkt dat de verf nog nat is. Museum De Fundatie eert de bijna 75-jarige met een retrospectief. „Ik moet mijn beste werk nog maken.”

Tekst Daan van Lent foto’sAndreas Terlaak

Jan Cremer in het Amsterdamse appartement van zijn vrouw Babette: „Soms slaap ik bij het schilderij. Ik heb een veldbed in mijn atelier staan.”

De verf is nog nat, zegt Jan Cremer. In het Amsterdamse grachtenpand van zijn vrouw Babette laat hij schilderijen zien die net zijn aangekomen uit zijn atelier in Umbrië. Zeegezichten vanaf Cape Cod zijn het, waar de schrijver en schilder ook jarenlang een huis heeft gehad.

Hij wil meteen vertellen hoe hij schilderijen maakt. Zijn grote handen zwaaien door de lucht. „Ik vecht met het doek. Ik gooi, ik smijt, ik vloek, ik tier. Ik meng de verf zelf. Met zand bijvoorbeeld. Ik neem overal zand mee. Van Cape Cod, uit Umbrië, uit Mongolië, uit Hongarije. Elk zand is anders en geeft een andere structuur. Je moet de kloten van de aarde voelen in mijn schilderijen”, zegt hij.

Hij laat zien hoe de werken met grote klodders verf op het doek begonnen zijn als kleine schetsjes in potlood, die hij tijdens zijn talloze reizen heeft gemaakt. „Ik heb een fotografisch geheugen. Als ik die krabbeltjes zie, komen bijvoorbeeld herinneringen aan een Russische havenplaats van vijftig jaar geleden boven toen ik daar als zeeman kwam. Of aan een nacht vol maanlicht aan Cape Cod in de jaren zeventig, zoals deze.” Hij pakt een klein doek van de grond. „Zo begin ik. In het klein met verf uitproberen hoe ik het wil hebben.”

Daarna wijst hij naar een muur, waar grotere werken op papier hangen. „Daarop experimenteer ik met de verf, doe ik fysieke oefeningen hoe ik moet schilderen. En dán ga ik dat gevecht aan met het doek.” Hij loopt naar een aantal metersgrote schilderijen. „Ik gebruik branders en blus de verf dan weer. Het linnen is een tegenstander”, zegt hij.

Vanaf volgende week zaterdag hangt al dit werk in Museum De Fundatie in Zwolle, op de overzichtstentoonstelling van zestig jaar schilderschap.

Jan Cremer, de schilder. Hij wil alleen daarover praten, heeft hij tevoren laten weten. Het grote publiek kent hem als schrijver. Van Ik Jan Cremer, de autobiografische bestseller uit 1964 , waarin hij vertelt over zijn reisavonturen – vol schuttingtaal, drank, vechtpartijen en seks. Een schok voor die tijd. Van zijn romances met de Amerikaanse seksbom Jayne Mansfield midden jaren zestig, met wie hij door Zuid-Amerika reisde, en met zangeres Nico van The Velvet Underground. Of van De Hunnen uit 1983, een heftig familie-epos van 1.550 pagina’s dat gekraakt werd door literaire critici maar zijn eigen fans verwierf.

„Ik weet dat veel mensen denken dat ik een schrijver ben, die ook schilderijen is gaan maken. Ze weten niet dat ik voor de publicatie van Ik Jan Cremer al naam had gemaakt als schilder”, zegt hij. „Dat een museum als het Stedelijk al werken van mij had gekocht.”

Tweeëntwintig, om precies te zijn, kocht Stedelijk-directeur Willem Sandberg er. Cremer was 18 jaar. „Ik wilde in Parijs studeren en had een brief van museumautoriteiten nodig. Sandberg was een godheid in die tijd, die was onbereikbaar. Ik ben urenlang in het museum gaan zitten. Een suppoost wees mij een plek waar hij langs zou komen als hij een broodje ging halen. Ik heb hem aangesproken en Sandberg was blijkbaar zo geraakt door mijn enthousiasme dat hij beloofde een brief te schrijven. Maar hij wilde eerst in mijn atelier komen kijken. Dus hij kwam naar Den Haag, zag mijn werk en zei ‘Dat moet ik hebben’. Mijn allereerste schilderij, ‘Oerwoud’, dat ik had gemaakt toen ik 14 was, was één van de werken die hij kocht.”

‘Peinture Barbarisme’ was de term die een Franse vriend op zijn werk plakte. „Dat vond ik een goede. Ik wil altijd tegen de stroom in. Dus ik ging alles wat ik geleerd had omdraaien.” Cremer kreeg de reputatie van de eerste ‘kunstnozem’ in Nederland, hij had bijnamen als ‘Het Woeste Beest’.

„Mijn werk heeft altijd weerstand opgeroepen, altijd felle voor- en tegenstanders gehad. Bij een tentoonstelling in 1960 stonden mensen voor het raam om er met een schop doorheen te slaan. Er is ook een groep mensen die het werk ‘Japanse Oorlog’ altijd nareizen als het ergens tentoongesteld wordt, sinds ze het in 1960 voor het eerst gezien hebben. Gaan ze met zijn allen in een busje naar Boedapest.”

Op 20 april wordt Cremer 75 jaar. Maar de officiële opening mag geen verjaardagsfeest worden. Hij wil ook niet dat de tentoonstelling als hommage wordt opgevat. „Ik word minstens 100 jaar. Ik ga mijn mooiste schilderijen nog maken, mijn beste boeken nog schrijven. Ik zit nog vol ideeën”, zegt hij. „Mijn uitgeverij de Bezige Bij wil ook van alles organiseren. Ik wil dat niet, daar heb ik helemaal geen tijd voor. Ik wil werken.”

Schilderijen uit zijn hele loopbaan hangen in Zwolle. De vroege ‘barbaristische’ werken, de Hollandse pop-art die hij in de jaren zestig en zeventig in New York maakte, de mythische paarden en adelaars die hij schilderde na het schrijven van De Hunnen en de terugkeer naar het abstract expressionisme met grote landschappen en zeegezichten. Werken uit de depots van musea als het Stedelijk en het Gemeentemuseum. Werken die hij met Fundatiedirecteur Ralph Keuning bij particulieren heeft opgespeurd en van de muren van huiskamers zijn gehaald. En werken uit zijn eigen verzameling.

Hij koopt werken terug, vertelt Cremer. „Ik heb veel werken verkocht voor bijna niks, om te overleven. Ik ruilde een schilderij voor een brood, bij wijze van spreken. Als ik wat centen heb nu, dan ding ik mee op veilingen. Soms staan doeken in de veilingcatalogus voor 5.000 euro, maar worden ze uiteindelijk verkocht voor het tienvoudige. Dat is te duur voor mij.”

Zo kocht hij ‘De Barbaar’ uit 1958 terug. „Ik heb er een speld ingeduwd en weet je, de verf was binnenin gewoon nog nat”, vertelt hij. „Na zestig jaar zijn mijn schilderijen nog stevig en zijn de kleuren nog goed. Daar verwonder ik mij over. In mijn beginperiode had ik geen geld voor materiaal. Ik werkte ’s nachts in de Haagse Comedie bij de decorbouwers en liet me uitbetalen in verf en linnen. Bij een timmerfabriek werkte ik om spanhout te krijgen. Ik mengde mijn verf met alles wat ik maar kon krijgen. Met konijnenlijm, gips, zand, pek. De kunstacademies bezocht ik vooral om materiaalkennis op te doen. Over de kunstgeschiedenis zocht ik alles zelf wel op, en het natekenen, schilderen of boetseren van klassieke modellen had ik na een paar keer ook wel gezien.”

Als zijn leermeester in het materieschilderen beschouwt hij Bram Bogart, een Vlaams-Nederlandse kunstenaar die hij in 1958 in Parijs leerde kennen. „Ik vlamde op toen ik zijn werken zag. Ik werd zijn assistent, maar hij was ook straatarm in die tijd. We haalden sloophout bij timmerfabrieken, ik leerde van hem jute te gebruiken en we pakten paardenmest van de straten. Als je dat droogde, had je een prachtige emulsie. Van Bogart heb ik geleerd dat verf voor de eeuwigheid gemaakt moet worden. Als je kijkt naar andere schilders, dan zie je hoe moeilijk materieschilderen is. Olie op olie, dat is nat op nat. Dat gaat vaak mis.”

In zijn tijd op Ibiza (van 1960 tot 1963) leerde Cremer de felle kleuren van de Spaanse schilder Tàpies kennen en zag hij hoe Millares net als hij met andere materialen stoeide. Maar echte verwantschappen met andere kunstenaars voelt hij niet. „Ik praat ook nooit over wat ik heb gemaakt, alleen over hoe ik het heb gemaakt. Ik heb nooit een band gehad met kunstenaars die over hun diepere gedachten willen praten. Ik was wel goed bevriend met Amerikaanse schilders als Willem de Kooning en Tom Wesselman, met hen kon je praten, over waar je goedkoop verf kon kopen en waar je goed kon eten.“

Eind 1964 ‘vluchtte’ hij naar New York, om het succes in Holland van Ik Jan Cremer te ontlopen. Dichter en conservator Frank O’Hara van het Museum of Modern Art had hem uitgenodigd en bracht hem onder in het legendarische Chelsea Hotel. „Hij organiseerde een welkomstparty en daar was iedereen die hij kende. Andy Warhol, Claes Oldenburgh, Norman Mailer. We hadden grootse plannen. We zouden samen een boek maken, hij zou een tentoonstelling in het MoMA voor mij regelen. Maar hij overleed plots door een tragisch ongeluk.”

Zijn vrienden in het Chelsea Hotel zagen hem meer als schilder dan als schrijver. „Die hebben mijn boeken nooit gelezen. Maar Ik Jan Cremer werd ook in de VS een succes. Ik moest een half jaar door de VS reizen om het boek te promoten. Daar werd ik helemaal gek van. Ik wilde liever schilderen, maar dat kon niet. In mijn atelier in het Chelsea liep iedereen in en uit. Met schrijvers had ik weinig contact in Amerika. Ik ben een arbeider, ik heb altijd gewerkt sinds ik na één jaar de Ulo-school heb verlaten. Ik kan niet in een gezelschap gaan zitten om de filosofie van het leven te bespreken. Daar heb ik geen tijd voor.”

Tegenwoordig verdeelt Cremer zijn tijd over Amsterdam, Parijs en Umbrië. In Parijs, de stad waar hij als 14-jarige met tubes verf in zijn tas heen liftte, bezit hij een appartement in het gebouw waar Modigliani zijn atelier had.

„In Enschede hadden wij de toenmalige societyschilder P.A. Nijgh als overbuurman. Ik mocht in zijn atelier komen en de geur van verf en terpentijn maakte daar een enorme indruk op me. Hij liet me zijn kunstboeken lezen en zo las ik ook over Modigliani. Dat leek me een prachtig leven, met al die hoogverheven mensen om hem heen. In 1993 heb ik de studio kunnen kopen. Klein hoor, maar het is heilige grond. De trap is uitgesleten door Picasso, Gauguin, Camille Claudel. Ik heb nostalgie naar die tijd. Maar je moet je voorstellen: de gemeente Parijs had daar een bord hangen wie er allemaal gewoond heeft. Dat moest eraf van de vereniging van eigenaren, want er kwamen teveel mensen kijken.”

Parijs is nu de stad waarin hij zich terugtrekt om te schrijven. In Umbrië heeft hij een grote werkplaats op een berg. „Daar trek ik me vier keer per jaar anderhalve maand terug om te schilderen. Omringd door stilte, met de deur open. Niemand mag binnenkomen, zelfs mijn vrouw niet. Dan raak ik van mijn à propos. Ik raak in een trance, ik weet achteraf niet meer hoe ik een schilderij heb gemaakt. Ik praat tegen het doek. Soms slaap ik bij het schilderij. Ik heb een veldbed in mijn atelier staan en als het dan niet lukt, ga ik even pitten. Ik mag er niet weg. Dan is de magie verbroken.”

Heeft uw succes als schrijver een doorbraak als internationaal erkend schilder in de weg gezeten?

„Ik heb geweldige contracten aangeboden gekregen in Parijs en in New York. Galeries wilden mij goed betalen, in ruil voor een paar doeken per jaar. Daar had ik prima van kunnen leven. Maar op het moment van tekenen, heb ik me altijd teruggetrokken omdat ik het benauwd kreeg. Ik kan niet zonder vrijheid. Daardoor heb ik altijd zijwegen moeten bewandelen. Met één doel: doen wat ik wil en dat is schilderen én schrijven. Helaas kan ik geen keuze maken. Heel frustrerend. Ik vervloek beide kanten af en toe. Als ik schilder, heb ik alweer een boek in mijn hoofd en omgekeerd. Dat heb ik al van kleins af aan.”

Waarom schilderde u in New York tulpenvelden?

„In New York zag ik op Times Square en 42nd Street een overdaad aan kleur en neon, zo erg dat ik er door overdonderd werd. Daar moest ik iets mee. Toen ben ik die tulpen gaan schilderen in de kleuren van Broadway. Dat was makkelijk schilderen. Bij Pop-art ben je snel klaar. Toen ik weer meer tijd en ruimte had, ben ik teruggekeerd naar het barbarisme.”

Waar zitten uw verzamelaars?

„Hier in Nederland. En in Scandinavië en Duitsland. In 1959 was er een sluwe kunsthandelaar die mij tentoonstellingen organiseerde in Kopenhagen en Stockholm. Hij had vijftig werken meegenomen en allemaal verkocht. Alleen heb ik daar nooit een cent van gezien. Ach, ik was jong, daar leer je van. Die werken komen bijna nooit op de markt. Vier zijn er weer opgedoken, die heb ik teruggekocht.

„In Duitsland heb ik verzamelaars in Berlijn en Hamburg. Het zal mijn Duitse afkomst zijn, mijn grootvader was een Duitser. Ik hield toen ik jong was erg van het werk van Kirchner en Nolde. Ik voel me ook geen Nederlandse schrijver, ik voel me een Duitse schrijver. Ik pas ook niet in de Nederlandse literatuur. W.F Hermans zei ooit tegen mij: ‘Jij zit verkeerd hier, je moet de grens over’.”

Zijn er Duitse kunstenaars aan wie u zich verwant voelt? Anselm Kiefer misschien?

„Kiefer, ja dat is prachtig. En Georg Baselitz. Kiefer werkt net als ik met materie, met materialen als lood of wrakhout. Zijn werken zijn nog een beetje groter, dat wel. Dan moet je echt centen hebben. Kiefer kan mensen om zich heen betalen.”

Komt u rond van uw schilderijen?

„Mijn vader is overleden toen ik jong was en hij liet ons met enorme schulden achter. Mijn moeder zei altijd: ‘Als je geld hebt, moet je het direct uitgeven’. Ik heb nooit met geld kunnen omgaan. Als ik als jongen een kwartje kreeg van de buurvrouw voor een stukje worst, kocht ik kleurpotloden. Zo is het nog steeds. Daardoor heb ik soms ook moeilijke perioden, als ik even wat minder verkoop. Maar gelukkig heb ik een groep verzamelaars om mij heen, die me het hoofd boven water helpen houden in moeilijke tijden.”

Hoopt u nu weer waardering te krijgen in Nederland?

„Weet je, in de naslagwerken over de Nederlandse moderne kunst, kom ik niet eens voor. Het kunstwereldje is niet het paradijs, het is een ijsvlakte waar ik van schots naar schots spring. Ik zeg altijd: de historie zal het uitmaken. Ik weet dat ik een hele goede schilder en een hele goede schrijver ben.

„Ik heb de kunstwereld in Nederland altijd heel benauwend gevonden. Dat was een tegenvaller. Ik keek er als jongen in Enschede heel erg tegen op. Kunstenaars waren heilig, ik wilde ook zo verheven zijn. In werkelijkheid kwam ik erachter dat als je de ene groette, de ander niet meer met je praatte. Het zijn net gewone mensen. Of erger, ze gunnen elkaar het licht niet in de ogen. Een wereld waar alles verhuld wordt, is mijn wereld niet. Dan ben ik toch de arbeider.”

Komt er nog een boek?

Ja, jongen. Ik heb wel zes boeken in mijn hoofd. De Bezige Bij verwacht dit jaar nog een boek van mij, waar ik al jaren mee bezig ben. Maar dan moet ik het afraffelen, dat doe ik niet meer. Ik praat nooit over de beer die nog niet geschoten is. Het wordt een heel mooi boek. Ik zal je wel de titel geven: Odyssee.”