Honger door oorlog, koloniale arrogantie en doctrinaire verblinding

Essaybundels trekken niet veel lezers. Een doorwrocht opstel is nu eenmaal iets anders dan een pakkend kort verhaal. Toch weet de Ier Cormac Ó Gráda van een gedegen essay een meeslepend verhaal te maken.

Zijn onderwerp is er dan ook naar. Ó Gráda, emeritus-hoogleraar economie aan het University College in Dublin, maakte een leven lang studie van hongersnoden, van de zestiende tot de 21ste eeuw.

Dat is een dramatisch thema, maar collega’s stoppen het drama vaak weg in gortdroge vergelijkingen van bevolkings- en productiecijfers. Ó Gráda beheerst het cijfermateriaal, maar verdiepte zich ook in historische bronnen als rapporten, persberichten, memoires en reisverslagen – en in bellettrie. Hij definieert hongersnood als ‘een tekort aan voedsel of koopkracht dat rechtstreeks leidt tot oversterfte (excess mortality) door verhongering, of door ziekten die het gevolg zijn van honger’.

Zijn nieuwste boek is een bundel van vijf essay’s onder de intrigerende titel Eating People is Wrong. Die is ontleend aan het openingsverhaal, waarin hij zich waagt aan een taboe: door honger gedreven kannibalisme. Dat wil zeggen, geen ceremoniële consumptie van mensenvlees, maar het verschijnsel dat mensen in extreme, aanhoudende voedselnood lijken gaan eten of – nog extremer – moorden voor mensenvlees.

Hoewel kannibalisme geen universeel verschijnsel is bij hongersnood en het nooit verantwoordelijk is geweest voor meer dan een klein percentage hongerdoden, laat Ó Gráda zien dat het vaker voorkwam tijdens ernstige hongersnoden dan we vroeger bereid waren te geloven. Hij haalt schokkende getuigenissen aan van de Grote Hongersnood in Ierland (1845-1951); de blokkade van Leningrad door de Duitsers (september 1941-januari 1944); en de hongersnood in Sovjet-Moldavië (1946-’47).

Een groot deel van de bundel is gewijd aan de twee beruchtste en meest omstreden hongersnoden van de twintigste eeuw: die in Brits Bengalen in 1943, en de massale hongersterfte die het gevolg was van de Grote Sprong Voorwaars in China, in de jaren 1959-1961.

Economen hebben de Bengaalse hongersnood altijd voorgesteld als een perfect voorbeeld van falende markten. Maar in werkelijkheid weigerden de koloniale autoriteiten te erkennen dat de rijstoogst van 1942 30 procent lager lag dan in voorgaande jaren. De tekorten die zich in de loop van ’43 aftekenden, zouden het gevolg zijn geweest van hamsteren en speculatie. De autoriteiten organiseerden vergeefse food raids om verborgen voorraden op te sporen, en het Colonial Office in Londen weigerde schepen te onttrekken aan de oorlogsinspanning tegen Japan om rijst in te voeren. Churchill reageerde op pleidooien in die richting met de opmerking dat „Indiërs fokken als konijnen; ze krijgen een miljoen per dag om niks te doen voor de oorlogvoering.”

Dé hongersnood waarover de afgelopen decennia het meest is geschreven, was die in China 1959-'61. Recent demografisch onderzoek laat zien dat er toen 20 tot 30 miljoen Chinezen zijn bezweken. Opvallend genoeg niet aan ziekten – de gezondheidszorg was in de jaren 50 spectaculair verbeterd – maar aan oedeem, verhongering. Amerikaanse auteurs hebben ten onrechte beweerd dat Mao Zedong gezegd zou hebben dat „het beter is om de halve bevolking te laten sterven zodat de andere helft kan eten". Oorzaak van de massale sterfte, schrijft Ó Gráda, was een overspannen groeiverwachting, geforceerde vorderingen van voedsel voor de stedelijke bevolking om versneld te industrialiseren en zo een vijandige buitenwereld militair het hoofd te kunnen bieden. Schuld door doctrinaire verblinding, geen genocide, luidt Ó Gráda's eindoordeel.