Hoe weet je waar je hoort?

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Op 4 mei wordt de film Verlies niet de moed [1] van Hella de Jonge gepresenteerd. De documentaire is als dvd gevoegd bij haar nieuwe boek met dezelfde titel. Het boek is een noodzakelijke aanvulling op de met hartstocht gemaakte persoonlijke film. Het is het sluitstuk van De Jonges memoires. In twee eerdere autobiografische geschriften schreef ze over haar leven als dochter van Holocaust-overlevenden Eli Asser en Eva Croiset. Haar ouders spraken nauwelijks over hun oorlogstrauma’s, maar voor Hella was het al vroeg duidelijk dat hun verdriet alles overschaduwde. Toen zij en haar partner Freek de Jonge in 1974 hun zoontje Jork verloren, was er geen plaats voor medelijden. Hún hele familie was vermoord, dat was veel erger. In het boek bij de film vertelt De Jonge hoe ze zich, sinds de dood van haar moeder in 2002, inspant om de verstoorde relatie met haar vader te verbeteren. Die inspanningen resulteerden in de aangrijpende, maar tegelijk troostrijke documentaire. Eli Asser voelt er zich voor de tweede keer door bevrijd en was in staat zijn dochter te steunen toen zij vorig jaar haar kleindochter Maggie verloor.

Zo doorleefd als het verhaal van De Jonge is, zo gekunsteld en oppervlakkig is de oorlogsroman van Simone van der Vlugt, De lege stad [2], waarin alle denkbare episodes tussen 1940-1945 in Rotterdam op een rijtje staan. Katja, een jonge kruideniersdochter, getrouwd met de arts Daniël, verliest een deel van haar familie bij het bombardement en wordt achtereenvolgens geconfronteerd met rijke schoonouders die niet zuiver op de graat zijn, een broer in het verzet, een zwager bij de NSB, onderduik en deportatie van joodse vrienden, de zorg voor en redding van hun dochtertje, een relatie met een Duitse officier, de verdwijning van haar man naar een concentratiekamp, de grote razzia waarbij haar broers worden gepakt voor de Arbeitseinsatz, represailles, de Hongerwinter, de bevrijding, het verdriet van de teruggekeerden uit de kampen, enzovoort. Van der Vlugt vat een handvol geschiedenisboeken samen in vluchtig oorlogsgebabbel over de voorgebakken emoties van gefiguurzaagde personages.

Econoom Jaap van Duijn beschrijft in Uit balans [3] de voornaamste onevenwichtigheden van de Nederlandse economie. Kern van zijn betoog is dat de overheid, ook en vooral tijdens de jongste crisis, haar kerntaak, de zorg voor de publieke goederen en daarmee voor het algemeen belang, ernstig heeft verwaarloosd. ‘We beleven de teloorgang van het algemeen belang. De taken die de overheid moet en als enige kan vervullen worden verwaarloosd. In plaats daarvan houdt de overheid zich bezig met het subsidiëren van bestedingen die primair tot de verantwoordelijkheid van de burger behoren.’ Politici kiezen voor deelbelangen. We leven boven onze stand. Arbeid is te duur, de uitkeringen zijn te hoog.

Tegelijk klaagt Van Duijn de toegenomen inkomensverschillen en inkomensongelijkheid tussen de top van het bedrijfsleven en de mensen op de werkvloer aan. ‘Het beloningsbeleid in het bedrijfsleven is totaal uit balans.’ Maar hoe lagere arbeidskosten en kleinere inkomensverschillen samen moeten gaan, blijft in het midden in dit ook voor niet-economen goed te volgen betoog.

Twee eerdere aan Utrecht gewijde bundels van Ingmar Heytze zijn in Utrecht voor beginners & gevorderden [4] aangevuld met 34 nieuwe gedichten. Het zou een misverstand zijn te denken dat de soms maar losjes met Utrecht verbonden of door de stad geïnspireerde gedichten alleen voor Utrechters van betekenis zouden zijn. Stuk voor stuk zingen ze zich los van topografie, voetbal of gemeentepolitiek. ‘We zijn in Utrecht. Weinig is waar het op lijkt’, dicht Heytze, maar we zouden overal kunnen zijn, want het gaat alleen schijnbaar over zaken als Ajax-FC Utrecht, het gemeentebestuur, Wesley Sneijder, Tivoli of de rellen in Ondiep. De gedichten voor gestorven Utrechtse kunstenaars zouden niet minder ontroerend zijn als bijvoorbeeld Peter Vos of Dolf Zwerver hun atelier elders hadden gehad. Het misverstand wordt vergroot door de plattegronden waarop is aangeduid in welk stadsdeel de gedichten zijn gesitueerd. Daaruit blijkt dat buurten als Lombok, Zuilen of Overvecht zwaar zijn onderbedeeld. Maar: ‘Wat is een stad, hoe weet je zeker/ dat je hier en nergens anders hoort?/ Je huis is stil. Je weet het nooit.’