Het onbekende thuis van Talar

Vergeet-me-nietjes zijn symbool van herdenking van de genocide 100 jaar geleden.

Aan de grens tussen Georgië en Armenië moet het Turkse paspoort van Talar even langs de baas. „Ze is Turks, maar spreekt Armeens”, zegt de norse beambte door de telefoon. Hij heeft mijn reisgenote net uitgebreid aan de tand gevoeld. „Wat zal ik met haar doen?” Doorlaten natuurlijk, zegt de baas.

De grens tussen Turkije en Armenië is sinds begin jaren negentig gesloten. De weinige directe vluchten naar de Armeense hoofdstad Yerevan zijn duur. Daarom nemen we de omweg die ook de vele illegale Armeense gastarbeiders in Turkije nemen: via buurland Georgië.

Talar (25) is een Armeense uit Istanbul. Ze geeft Engels op een Armeense middelbare school en werkt voor mij als vertaler. Honderd jaar geleden woonden op het grondgebied van het huidige Turkije zo’n 1,5 miljoen Armeniërs. Nu nog zo’n 50.000. Ik had verwacht dat Talar een gat in de lucht zou springen als ik zou voorstellen samen naar Armenië te reizen, haar ‘thuisland’, waar ze nog nooit is geweest. Maar dat doet ze niet; haar reactie is lauw. Als we na middernacht in het donker staan te rillen naast het hokje aan de grens, begin ik steeds beter te begrijpen hoe dat komt.

Talar spreekt Armeens, maar Turks is haar eerste taal en het West-Armeens uit Turkije klinkt heel anders dan het Oost-Armeens dat in Armenië wordt gesproken. Haar Turkse paspoort zorgt voor achterdocht. Het waren Turken en Koerden die in 1915 Armeniërs verdreven en vermoordden. Veel Armeniërs zien Turken, die ontkennen dat die etnische zuivering een vooropgezette ‘genocide’ was, als hun vijand. Voor de zekerheid heeft ze een kopie van het bewijs dat ze is gedoopt in de Armeense kerk in haar handtas.

De meeste Armeniërs wonen nu buiten Armenië en Turkije. Deze diaspora is zichtbaarder dan het kleine land zelf. Dat bleek deze week toen de aankomst van seksbom Kim Kardashian in Yerevan en haar ontvangst door de premier het nieuws haalde. Kardashian, van oorsprong Armeens, lobbyt via Twitter voor internationale erkenning van de slachtingen als een genocide.

‘Genocide’ is een beladen term, met een veelheid aan juridische implicaties. Terwijl Armeniërs in de diaspora, onder wie ook zanger en acteur Charles Aznavour, hun identiteit nadrukkelijk uitdragen, houdt de kleine groep Armeniërs in Turkije zich juist gedeisd. Dat komt doordat ze, opgevoed tussen Turken, meer begrip hebben voor het Turkse perspectief op de geschiedenis. En deels omdat ze zich kwetsbaar voelen.

Voor vertrek vraag ik Talar ernaar. „Het gaat niet om compensatie of om erkenning van genocide”, zegt ze onverwacht fel. „Ik wil me veilig voelen. Ik weet dat minderheden als eerste de klos zijn als het misgaat in Turkije. Joden, Grieken, de Armeniërs.”

Familiebezit

De afgelopen tien jaar is de positie van minderheden in Turkije verbeterd. Koerden kunnen hun eigen taal spreken. Armeense kerken worden gerestaureerd. Nabestaanden van verdreven Grieken claimen in juridische procedures met succes familiebezit terug.

Tegelijk is Turkije tegenwoordig steeds nadrukkelijker een land waar de overgrote meerderheid islamitisch is en dat ook benadrukt. Armeniërs zijn christenen. „Mensen moeten leren dat religie en etniciteit er niet toe doen”, zegt Talar. „Dat is het omgekeerde van wat ze onder deze regering leren. Kinderen hebben allerlei meningen over Armeniërs, ook al hebben ze er nog nooit een ontmoet.

„Verdrijven kan stiekem gebeuren. In de marge van een groter conflict. Recent ben ik erover na gaan denken waar ik heen zou gaan als we moeten vluchten.” Ze is enig kind. „Mijn ouders zijn dan te oud om nog te kunnen werken. Ze hebben er ook de opleiding niet voor. Het zou op mij neerkomen, maar wat heeft mijn opleiding Engels voor nut?”

Hoewel Talar er geen moeite mee heeft dat ik haar uithoor en probeer onze reis ook door haar ogen te beleven, gebruik ik haar achternaam in dit artikel niet. Haar vader is ongerust omdat ze uitgesproken meningen heeft. Hij is van de generatie die gelooft dat niet opvallen de beste overlevingsstrategie is.

„Belachelijk dat je een visum nodig hebt. Dit is je vaderland”, zegt de man die ons van Georgië naar Armenië rijdt. Terwijl wij aan de grens staan te wachten, zet hij twee dozen duty free Finlandia Wodka op de achterbank.

Dit voelt niet als een zoektocht naar haar wortels, heeft Talar al voor vertrek duidelijk gemaakt. Haar familie van vaderskant heeft altijd in Istanbul gewoond en is daar trots op. De dorpen en steden in het Ottomaanse Rijk waar vroeger de meeste Armeniërs woonden, liggen in het oosten van het huidige Turkije. Daar vielen in 1915 de meeste doden. Anderen werden systematisch gedwongen naar de woestijn in het huidige Syrië te lopen. Degenen die ontkwamen verspreidden zich over de hele wereld. Wie terechtkwam in het land dat nu Armenië heet, was het slechtste af. Na het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk na 1918 werd het een Sovjet-republiek. Talar kent hen vooral als de Armeniërs die naar Istanbul komen om te werken. Ze verkopen alcohol op een wekelijkse markt in de buurt van het Armeens patriarchaat. En ze werken als schoonmakers voor rijkere Armeniërs.

Pijpleidingen

De eerste indrukken van Armenië bevestigen dat beeld. Na een urenlange rit door hoge bergen met sneeuw zien we lege dorpen op het platteland. Her en der een verlaten fabriekshal met kapotte ruiten. De chauffeur remt abrupt voor gaten in de weg. Politiemannen zitten samen in een Lada 1600 gepropt die amper vooruit komt. Die zullen weinig inbrengen tegen de brutale bestuurders van de vele geblindeerde Mercedessen in de hoofdstad Yerevan.

Toen Armenië nog bij de Sovjet-Unie hoorde, kwam er gas voor verwarming via ondergrondse pijpleidingen. Na de onafhankelijkheid in 1991 laaide het gewapende conflict op met Azerbajdzjan om de regio Nagorno-Karabach. De gasleidingen werden opgeblazen, daarna begon het vechten om een beetje warmte.

„Is je opgevallen dat veel van deze woonblokken geen voordeuren hebben? Opgestookt in de jaren negentig, net als veel bomen in de parken”, zegt Anait Direduryan. Ze is Talars oude lerares Engels uit Istanbul en is na de dood van haar man een paar maanden geleden terug naar Yerevan verhuisd, waar haar familie woont. „Een vergissing”, zegt ze nu. „Het leven is hier zwaar.”

Direduryan heeft zich omringd met meubels en snuisterijen uit Istanbul. De flat is knus, maar daarbuiten – grijze Oostblokwijken zonder goede bestrating – valt de armoede op waarin 95 procent van de Armeniërs leeft. Gezinnen overleven doordat veel mannen in Rusland werken en geld naar huis sturen. Maar door de sancties tegen Rusland en de economische neergang komen nu fors minder roebels binnen.

Tijdens het eten staat de televisie aan. Vrijwel alle kanalen zijn in het Russisch, de tweede taal in het land. Het achtuurjournaal op Armenia TV brengt achtereenvolgens slecht nieuws uit Turkije, een kritisch rapport van een mensenrechtenorganisatie over de dictatuur Azerbajdzjan en de aankondiging van ‘genocideweek’ in Armenië. De president doet een oproep om allemaal bij het officiële genocidemonument langs te gaan.

Vergeet-mij-nietjes

De herinnering aan de genocide is overal. Het symbool voor de honderdjarige herdenking, op 24 april, is een paars vergeet-mij-nietje met een geel hart. Schoolkinderen hebben de bloem op hun borst gespeld. Auto’s hebben een sticker op een ruit, net als veel winkels. Op een schoolgebouw in het centrum van Yerevan hangt een spandoek: ‘Ik herinner me en ik eis’.

Het is moeilijk lichtpuntjes te zien. Armenië is een klein land, zonder toegang tot zee. Het ligt ingeklemd tussen het veel rijkere Azerbajdzjan, waarmee het formeel nog steeds in oorlog is, en Turkije, dat sympathiseert met Azerbajdzjan en daarom de grens tussen beide landen al meer dan twintig jaar gesloten houdt. Bijna eenvijfde van het nationale budget gaat op aan defensie.

Na het afscheid van Direduryan is Talar bedrukt. De machteloosheid die veel burgers voelen is besmettelijk. De politiek en economie worden bepaald door oligarchen en politici die marionetten van Rusland zijn. „Als ik wist hoe ik in dit land kon helpen, zou ik het doen.”

Positieve verhalen, die wil CivilNet brengen, een internet-tv-station dat op subsidies draait. Een van de best bekeken reportages gaat over vaders die liefdevol over hun dochters vertellen. Op iedere 115 jongens worden in Armenië maar 100 meisjes geboren. Voor het eerste kind is de verhouding zelfs 138 tot 100. Ouders die weten dat ze een meisje verwachten kiezen vaak voor abortus.

Waarom is niet zeker. Jongens kunnen later als gastarbeider naar Rusland en geld sturen, luidt een verklaring. Jongens zetten de familienaam voort, terwijl meisjes als ze trouwen een andere achternaam krijgen, denkt Arpine Mkhitaryan, directrice van kinderdagverblijf Oki Doki.

Het voortbestaan van families, van traditie, alfabet en het Armeense volk is een diepgeworteld thema. „We overleven al drieduizend jaar, dit komen we ook nog wel te boven”, is een standaard antwoord op vragen naar de economische misère en de noodzaak de grens met Turkije te openen. Op het kinderdagverblijf lijkt de trend te kloppen. In de groepen zitten twee keer zoveel jongens als meisjes. Een probleem voor de toekomst, zegt Mkhitaryan. En met een grap: „Die meiden kunnen straks een mannenharem vormen, zo weinig huwelijkspartners zijn er.”

Genocidemuseum

Het Genocidemuseum ligt op een heuvel aan de rand van het centrum van Yerevan, naast het betonnen monument dat ’s nachts in de schijnwerpers staat. Op de winderige parkeerplaats houden schoolkinderen printjes op met teksten in meerdere talen. Hun lerares drukt me er een in de hand. „Miljoenen kinderen zijn niet geboren als gevolg van de Armeense genocide”, lees ik.

Bij het eeuwig brandend vuur houden scholieren de wacht. En enkeling legt bloemen. Een fotograaf en een model maken een reportage. Talar staat er een paar minuten stil en zegt een gebed met haar handen voor zich uit, palmen naar boven.

Het museum is gesloten. Er wordt gewerkt aan een nieuwe permanente tentoonstelling. Die gaat pas open als alle VIPs er zijn op 24 april, zegt directeur Hayk Demoyan. Een man van weinig woorden. „Er komen 300 wetenschappers voor een genocide-conferentie en dat zijn heus geen idioten”, zegt hij. „We hoeven geen debat te hebben. De genocide is een gegeven. Misschien raakt [de Turkse president] Erdogan weer van streek maar dat negeren we al geruime tijd.”

Talar negeert hij. Vanwege haar Turkse paspoort, zal ze later zeggen. Haar teleurstelling krijgt de overhand als ze ziet hoe een bejaarde vrouw met gebogen rug de trap van het museum veegt, terwijl een groep jonge bewakers verveeld bij de deur hangt. Talar geeft ze een kwade snauw over hun gebrek aan respect.

Op de laatste avond stel ook ik haar de vraag die ze steeds van Armeniërs krijgt. En, voelt het als thuis? „Toch wel”, zegt ze tot mijn verrassing. „Ik ben tussen mijn eigen mensen. Ik hoef niet op mijn woorden te letten. Ik zie alleen maar onze kerken, geen moskeeën. Dat is prettig.” Naar Armenië zou ze niet zomaar verhuizen. Maar, zegt ze, „het is fijn om geen minderheid te zijn.”