Digitale proletariërs aller landen, verenigt u!

Eerst werden de muziekindustrie en de media getroffen door de digitale revolutie, maar nu eigenen de tech-industriëlen zich ook de geest van internetgebruikers toe.

David Byrne, de ex-voorman van Talking Heads, berekende eens dat de leden van een vierkoppige band pas het Amerikaanse minumumloon van 15.080 dollar bruto per jaar verdienen als hun nummers tezamen een biljoen (1012) keer op Spotify zijn aangevraagd. De Britse internetwatcher Andrew Keen haalt Byrnes sommetje aan in The Internet Is Not The Answer om te laten zien dat alleen enkele absolute topgroepen als U2 redelijk verdienen aan de verspreiding van hun muziek op internet. De gemiddelde muzikant verdient er geen droog brood mee, schrijft Keen, die zelf in 1999 korte tijd een muzikale internetonderneming in San Francisco leidde. ‘Net als met YouTube, is het probleem dat Spotify creatief talent uitbuit en consumenten verwent met muziek die gratis of voor een belachelijk lage prijs wordt geleverd.’ Tussen 2002 en 2012 is het aantal professionele muzikanten in de VS dan ook afgenomen van meer dan 50.000 tot 30.000.

De culturele kaalslag die het gevolg is van de veelal gratis verspreiding van muziek, films, foto’s en nieuws via internet was het onderwerp van Keens The Cult Of The Amateur uit 2007. In de begindagen van het world wide web, de jaren vlak na de val van de Muur in 1989, verkondigden profeten dat internet de grote, boze wereld zou veranderen in een democratische, transparante global village waar iedereen vrije toegang had tot een overvloed van nieuws en cultuur. Maar daar was in het begin van de 21ste eeuw nog weinig van terecht gekomen, stelde Keen vast in The Cult Of The Amateur: dagbladen en tijdschriften gingen in een hoog tempo ten onder, platenmaatschappijen leidden een steeds kwijnender bestaan en het aantal beroepsfotografen was in de VS gehalveerd. Hun neergang werd lang niet gecompenseerd door al het waardevolle dat op internet is te vinden.

Internetadepten beschouwden Keens kritiek als een achterhoedegevecht. Keen had de tijdgeest niet begrepen, vonden ze, en nam het op voor vermolmde, elitaire instituten die in het digitale tijdperk ten dode waren opgeschreven. Maar Keen ging onverstoorbaar door als de razende reporter van digitale wereld. Zijn laatste bevindingen staan in The Internet Is Not The Answer, een meeslepende mengeling van beschouwingen, onthutsende statistische gegevens, interviews en reportages uit San Francisco en Silicon Valley, het centrum van de internetwereld.

Sinds 2007 zijn internetbedrijven als Facebook en Google uitgegroeid tot giganten en zijn nieuwe ‘deeleconomie’-bedrijven als Airbnb en Uber ontstaan. Maar die hebben niets veranderd aan de ontwikkelingen die Keen schetste in The Cult Of The Amateur. Integendeel, niet alleen de muziekindustrie en media worden nu getroffen door internet, maar de hele economie.

Dit laat Keen zien aan onder meer Rochester, de stad waar eens de fabrieken en laboratoria van Kodak stonden. In het predigitale tijdperk was Kodak met onder meer zijn Instamatic-camera het bedrijf dat fotografie betaalbaar maakte voor de massa. In 1989 had het bedrijf wereldwijd nog 145.000 werknemers.

Vijfentwintig jaar later bestaat Kodak niet meer en staan de fabrieken leeg in het desolate Rochester. Het werk van Kodak is overgenomen door sociale-mediabedrijven als Instagram, opgericht in 2010 door de Amerikaanse internetondernemer Kevin Sylstrom. Toen Sylstrom achttien maanden later zijn start up voor 1 miljard dollar aan Facebook verkocht, had Instagram dertien mensen in dienst.

Wie doet dan al het werk in een miljoenenbedrijf als Instagram, vraagt Keen vervolgens om zelf resoluut te antwoord te geven: ‘Dat doen wij. De fabrieken van de 21ste eeuw zijn net zo alomtegenwoordig als selfies, ze staan daar waar een netwerkapparaat wordt gebruikt. [...] Het is ons werk op deze kleine apparaten – ons onophoudelijke getwitter, posten, zoeken, updaten, becommentariëren, recenseren en fotograferen – dat alle waarde creëert in de netwerkeconomie.’ Het is immers de informatie over de voorkeuren en het gedrag van de gebruikers waarmee Google en Amazon het grote geld verdienen, bijvoorbeeld met steeds gerichtere advertenties voor waren en diensten die aansluiten op de voorkeuren van de gebruikers.

Zo zijn zij de onbetaalde arbeiders van de interneteconomie geworden. En zo heeft internet niet geleid tot de beloofde democratisering en gelijkheid, maar juist tot een toenemende ongelijkheid. De interneteconomie is een winner takes all-economie, stelt Keen vast: een piepkleine elite van internetondernemers wordt schathemelrijk, de rest is in toenemende mate voor zijn levensonderhoud aangewezen op flexibele en onderbetaalde arbeid.

In Het digitale proletariaat, komt de voormalige columnist van de Volkskrant Hans Schnitzler, tot dezelfde conclusie. ‘Wereldwijd gloort het inzicht dat bedrijven als Google en Facebook de open en sociale dynamiek van het digitale netwerk hebben ingelijfd en de gemiddelde gebruiker ervan hebben gereduceerd tot een welwillende loonslaaf in dienst van het technocratisch grootkapitaal.’

Schnitzler is van huis uit filosoof en dat is te merken in zijn marxistisch angehauchte analyse van de gevolgen van de digitale revolutie. Op heldere wijze haalt hij veelvuldig oude en hedendaagse filosofen als Marcuse, Kant, Marx en Sloterdijk aan. Na filosofische beschouwingen over bijvoorbeeld de universele wens tot ‘transparantie’ in het digitale tijdperk stelt hij uiteindelijk vast dat de techniek in het digitale tijdperk werkelijk allesoverheersend is geworden. Leidde de industriële revolutie tot een onderwerping van de lichamen van de arbeiders aan de machines in de fabrieken, na de digitale revolutie eigenen de internetindustriëlen zich nu ook de geest van de internetgebruikers toe. Het wonderlijke is dat de internetslaven ‘hun ondergeschiktheid ervaren als een bevrijding’, zo stelt hij ten slotte vast.

Toch heeft Schnitzler nog hoop. Het onbehagen over de gevolgen van de digitale revolutie neemt toe en uiteindelijk zal dit, net als het ellendige bestaan van fabrieksarbeiders na de industriële revolutie, leiden tot verzet. Voor de zekerheid besluit Schnitzler zijn essay met de oproep: ‘Digitale proletariërs aller landen, verenigt u.’

Ook Andrew Keen is niet wanhopig. Hij gelooft dat de kritiek op internet zal leiden tot bezinning. Hij sluit zelfs niet uit dat internetondernemers uiteindelijk tot zelfregulering van hun branche zullen overgaan. Maar vooralsnog zijn ze veelal aanhangers van een neoliberalisme in de geest van Ayn Rand en is er alleen heil te verwachten van de staat. Zoals de Amerikaanse president Theodore Roosevelt een eeuw geleden Rockefeller en andere robber barons van het industriële tijdperk bestreed met antitrustwetgeving, zo moeten nu ook internetgiganten als Google te lijf worden gegaan met maatregelen tegen bijvoorbeeld monopolievorming.