De Grote Leider is een begonia

Op het eerste gezicht vormen de schilderijen op ‘De Kim Utopie’ een eentonige parade van stralende boerinnen en stootarbeiders. Maar op het tweede gezicht blijken ze allerlei verrassende verwijzingen te bevatten.

Kim Hyon-ch’ol (Centrale Kunststudio): Felicitaties, 2003. In het raam staat een begonia (kimjongilia), een verwijzing naar de toenmalige dictator van Noord-Korea, Kim Jung-il

Nog altijd is Noord-Korea net zo stalinistisch als de Sovjet-Unie onder Stalin. Niet alleen regeerde de Eeuwige President Kim Il-sung na de stichting van de Democratische Volksrepubliek Noord-Korea in 1948 het land decennialang met de stalinistische cocktail van terreur, hongersnoden en persoonsverheerlijking, maar ook wist hij, anders dan Stalin, zijn absolute macht over te dragen op zijn zoon, Kim Jong-il, die in 2011 werd opgevolgd door kleinzoon Kim Jong-un.

Geen wonder dus dat de werken op De Kim Utopie, het vierde deel van de serie tentoonstellingen over internationaal realisme in het Drents Museum, allemaal zijn geschilderd in orthodox socialistisch realistische stijl. De ruim 120 schilderijen uit de omvangrijke collectie Noord-Koreaanse kunst van de Nederlandse verzamelaar Ronald Groen blijven heel dicht bij de ‘triomfalistische’ sovjetschilderkunst uit de jaren 1945-’53, de nadagen van Stalin, de Sovjetleider die Hitler had verslagen.

Ook in het digitale tijdperk gebruiken de Noord-Koreaanse schilders, die meestal werken in grote staatsstudio’s, nog altijd de clichés uit de sovjetschilderkunst van vlak na WO II. Zo halen lachende vrouwen en militairen in een titelloos schilderij van Chonh-uk uit 2005 een overvloedige graanoogst binnen. En op de werken over de Japanse kolonisering van Korea en de Korea-oorlog (1950-1953) doen de Japanners en Amerikanen niet onder voor de brute nazi’s in sovjetschilderijen. In een lachwekkend schilderij zonder titel van Kim Ch’ang-bok uit 1990 hebben de vier Amerikaanse militairen die een Noord-Koreaan martelen, zelfs zwaar debiele trekken gekregen.

‘Realisme’ in socialistisch realisme betekent dan ook geenszins dat het om het afbeelden van de werkelijkheid gaat. Anders dan de romantische, westerse schilderstraditie wil, moeten Noord-Koreaanse schilders niet hun hoogstpersoonlijke gevoelens uitdrukken of hun kijk op de wereld, maar, zoals een sovjetcultuurbons het eens formuleerde, „het socialisme in zijn revolutionaire ontwikkeling”. Zoals Stalin schrijvers eens ‘ingenieurs van de ziel’ noemde, zo zijn de Noord-Koreaanse schilders de ‘ingenieurs van de blik’: hun schilderijen moeten bevorderen dat de bevolking in de nu nog harde werkelijkheid een stralende toekomst ziet. Op de meeste van de werken op De Kim Utopie is dan ook op zijn minst een glimp te zien van het communistische paradijs waartoe al het lijden en werken uiteindelijk zullen leiden.

Toch is de tentoonstelling meer dan een eentonige parade van heldhaftige soldaten, stralende boerinnen en stootarbeiders in bouwputten en hoogovens. De uitgebreide toelichtingen bij de schilderijen maken duidelijk dat ze vaak een iconografie bevatten die niet onderdoet voor die van de 17de-eeuwse Nederlandse genretaferelen waar een oester een verwijzing heet te zijn naar seksuele losbandigheid. In Felicitaties bijvoorbeeld, een onschuldig ogend huiselijk tafereel van Kim Hyon-ch’ol uit 2003, is de lichttoren op de kalender achter vader, moeder en kind, ‘het ideologische lichtbaken dat het gezin inspireert’. En de begonia die voor de drie op de vensterbank staat is een verwijzing naar de toenmalige Grote Leider Kim Jung-il – Kimjongilia is Koreaans voor een begonia. Zo is De Kim Utopie een verrassende tocht door het bizarre Noord-Korea, het enige onvervalst stalinistische land ter wereld.