Column

Dansen?

Youp van ’t Hek

‘Dansen?”, vroeg ik aan de beetje stijve dame in de snackbar waar ik afgelopen woensdagochtend met een vriend ging ontbijten. De snackbar is wel een van de duurste eetgelegenheden van ons land en hoort bij een beroemd Amsterdams hotel. Een chique toko. In dat hotel sliep mijn vriend. Vandaar. Wij noemen dit een werkontbijt, terwijl het niks anders is dan een paar uurtjes slap ouwehoeren. Na deze maaltijd kunnen we er allebei weer een tijdje tegen.

Ik was in een goede bui en dat kwam vooral door de taxirit. Eindelijk weer eens een Amsterdamse taxichauffeur waar je mee kon lachen. In het een kwartier durende ritje namen we de stad en zijn problemen door: de seizoenkaartensoap bij Ajax, de Ubertaxi, de opgepakte cokedealer met zijn witte heroïne, de weinige liquidaties van de laatste tijd (zijn de kogels op?), zijn angst dat hij geen werk meer heeft als in 2033 de Noord-Zuidlijn opengaat en het fantastische stille spel van de zoon van Dries Roelvink als Barabas in The Passion bij de EO. Als die binnenkort geen zes weken in een uitverkocht Carré staat. Volgens de chauffeur was Andries Knevel na afloop wel zijn gouden klokkie kwijt. Ook vroeg hij zich af of de oude Jean-Marie Le Pen, die door zijn dochter de Franse PVV uit wordt geflikkerd, geen liedjes wil schrijven voor de harde kern van FC Utrecht. En dan iets minder krom rijmen graag. Best rijmt niet op SS. Door dit vrolijke gesprek stormde ik een beetje baldadig de chique eettent binnen en botste op de stijve dame in het rood. Ik keek niet uit, maar zij ook niet. Ik kegelde haar bijna omver en kon haar nog net bij haar middel pakken. Daardoor bleven we prachtig in balans. Ze rook lekker. Vooral duur. Toen ik haar losliet zag ik dat ze een zogenaamde brace om haar knie had. Ik voelde me schuldig en bood geschrokken mijn excuses aan. En ik vroeg belangstellend wat er met haar knie gebeurd was? Ski-ongelukje? Uit de bocht gevlogen met een supermarktkarretje? Voetbalrellen? Zwevende meniscus?

„Het is niks”, zei ze in krampachtig Vlaams en hinkepinkte zich uit de voeten. Ik keek haar een beetje beledigd na omdat ik vond dat ze nogal uit de hoogte deed. Ik vroeg het toch vriendelijk?

Mijn vriend zat al klaar aan het tafeltje en vroeg of ik koffie of thee wilde? Thee! Ik legde aan de dienstdoende kelner uit dat ik net van buiten kwam en de nacht niet in het hotel had doorgebracht. Ik zei dat omdat ik niet ’s avonds in een of andere roddelnichtenrubriek van Albert of Bram Moszkowicz wilde horen dat ik op mijn oude dag alsnog uit de kast was gekomen en dat ik vanochtend uitbundig en fris gedoucht zat te ontbijten met een 25 jaar jonger prinsje. Ik ken het personeel van die chique snackbars. Die lullen tegen betaling veel door aan het roddelgajes.

Mijn vriend moest onbedaarlijk lachen. Niet om mijn suggestie dat we aangezien konden worden voor twee ridders van het gilde van de bruine ster, maar om mijn botsing met de dame in het rood. Of ik niet gezien had wie dat was? Ik moest goed kijken als ze straks terugkwam van het toilet. Dat duurde niet lang. Ze kwam aangestrompeld en ik vroeg me af of haar kwetsuur door onze botsing verergerd was. Ik riep wederom excuses haar kant op, vroeg of het een beetje ging en zei tegen mijn vriend dat zij ook beter uit haar doppen had moeten kijken. Ik keek niet uit, maar zij liep ook als een kip zonder kop.

„Zie je wie het is?”, herhaalde mijn vriend.

„Geen idee”, zei ik.

„Kijk dan aan welk tafeltje ze zit”, grinnikte hij.

Ik keek om en schoot bulderend in de lach. Ze zat aan een ronde tafel met vier zwijgende, stijf geklede kakkinderen en een doodstille meneer, in wie ik onmiddellijk koning Flip van België herkende. U weet wel: die saaie die deze week door zijn dikke, mislukte broer vergeleken is met de Oost-Duitse Stasi. Dus de dame in het rood was Mathilde, de koningin van onze zuiderburen. En zij had met haar kreupelknie mijn dans geweigerd. Eén ding wisten mijn vriend en ik zeker: hier krijgt die lieverd ooit heel veel spijt van!