Dag Sir

Servais Knaven is ploegleider van Bradley Wiggins bij Team Sky. Tegengestelder dan die twee kunnen karakters niet zijn. Servais breviert in zijn volgwagen, Bradley schuimbekt op de fiets. Ik verwacht zondag in Parijs-Roubaix veel van het komische duo. De ‘stille’ uit Meerle is mede zelfportret geworden van vijftig kilometer kasseistroken. In het jaar dat hij de klassieker won, kende hij elk steentje, iedere stofkorrel, de hele doodskop uit het hoofd. Verslaafd aan verkenningen van de Hel.

Wiggins heeft niets met maniakale experimenten. Hij koerst op intuïtie en slimmigheid, kan zich volpompen met haat voor een kassei, kiepert hem vervolgens vloekend de gracht in. In gedachten. Kasseien blijven in zijn benen hangen, bij Knaven klommen ze op naar het hoofd.

Mister Parijs-Roubaix is niet meer zo enkelvoudig als Checco Moser, Roger De Vlaeminck, Johan Museeuw, Tom Boonen en Fabian Cancellara in hun gloriejaren. Museeuw was even ingehuurd als adviseur van Wiggins, maar zag meteen dat Bradley ongeschikt is voor kasseiwerk: hij kan zijn bovenlichaam niet stilhouden – typisch voor een achtervolger op de baan. „Maar met Wiggie weet je nooit.”

De ex-winnaar van de Tour neemt in Roubaix afscheid van wielrennen op de weg. Zondag wil hij het slotakkoord plaatsen van een grillige, imposante en amusante carrière.

De gekke Sir kon alles: klimmen, tijdrijden, soleren. Hij wekte graag de indruk dat hij de gele trui in Parijs gauw even was komen ophalen tussen twee biergelagen door. Zijn hele koersleven was één groot optisch bedrog. Alles gewonnen, van wereldtitels op de baan tot olympische medailles en etappewedstrijden. Achteloos. Na de verkenning, deze week, was hij even ontroerd: „Sommige kasseistroken liggen er nog bij als honderd jaar geleden. Het is de leegte die de keel dicht snoert. Ik zag alleen een oud mannetje met een baguette onder de arm.”

De wildebras Bradley heeft een artistiek oog.

Verder maakt hij zich nergens druk om, anders dan ploegleider Knaven. Servais huivert voor het leven en de elementen. Bij een servet die tijdens het avondmaal van tafel valt, slaat hij de handen voor de ogen – slecht voorteken. Als renner was hij de lieve, blanke man van het peloton, te nederig voor stemverheffingen. Toch ploegleider geworden en sindsdien uitgerold tot een sluwe tacticus, zij het nog steeds zonder streken.

In dwarsigheid en humeurigheid is Niki Terpstra de gelijke van Bradley Wiggins. In intrinsieke klasse scheelt het ook weinig. Verstand van droge humor hebben ze allebei. Maar in sociale flair schiet de Nederlandse stilist te kort. Wiggins heeft ook buiten zijn palmares respect afgedwongen. Hij fietst en brult als een open boek. Terpstra is geniepiger, mist het perfect gekozen dankwoord in euforie. Zijn elegantie is nagenoeg woordeloos.

Voor het eerst in jaren verwacht ik een sprinter voor de bloemen in de Vélodrome. Alexander Kristoff is natuurlijk de topfavoriet. Maar tijdens de Ronde van Vlaanderen zag ik een half mirakel: sprinter André Greipel leverde ongezien labeur op de Koppenberg. Het was als het handelsmerk van een nieuwe investituur: de sprintbom omgetoverd tot compleet renner. Zowel Greipel als Kristoff bevestigt de multidisciplinaire metamorfose van de huidige topgeneratie. De sprinter kan nu sleuren en rouleren, de tempobeul kan sprinten. Puur sprinten op de kracht der zotheid is uit de tijd, althans voor de kopmannen.

Wie iets van de onzegbaarheid van Parijs-Roubaix wil proeven moet even een ommetje maken naar de Carrefour de l’Arbre. Alleen al door er te liggen rukken ze de spieren van je lijf, kasseien als een imbroglio van slagersmessen. Onwillekeurig denk je: deze hel mag je een mens niet aandoen. Maar erbarmen is voor later.