Uit huis

Als ik ’s ochtends iets voor negenen (nooit iets ná negenen, dan vroeg de uitgever of ik soms een ochtend vrij had genomen) de sleutel in het slot van het enorme pand aan de Herengracht stak, kwam de bewoner van het pand ernaast vaak juist net naar buiten. „Fijne dag, buurvrouw!”, riep hij dan en dat vond ik altijd weer hilarisch. Alsof ik daar woonde. Voor een paar seconden, die paar seconden die ik nodig had om het slot open te draaien, voelde ik me daadwerkelijk even een machtige grachtenpandbezitter. Even dan, daarna hadden we gewoon redactievergadering.

Er was een periode dat ik zo gestrest bezig was met werken dat ik weigerde om met vriendinnen af te spreken in Zuivere Koffie in de Utrechtsestraat. Dat is een fijn tentje en juist daarom ontmoette ik er regelmatig de schrijvers die ik begeleidde. Maar als ik daar buiten werktijd appeltaart zou eten met vriendinnen zou ik waarschijnlijk over flapteksten beginnen, over de bestseller-top60, over e-bookclausules. Daar had niemand zin in. Op een gegeven moment realiseerde ik me dat het niet alleen Zuivere Koffie betrof, maar dat na al die jaren een substantieel gedeelte van de stad voor mij samen was gevallen met de uitgeverij waar ik werkte.

De kroketten van Van Dobben in de korte Reguliersdwarsstraat smaakten naar aanbiedingsvergaderingen, de hippe kledingwinkels in de Utrechtsestraat waren kleedkamers voor het Boekenbal en het Rembrandtplein was jarenlang een soort schoolplein waar ik, een ‘Simone-op-bruin-broodje’ van Loekie etend, roddelde met collega’s over collega’s. Ik zag daar in de loop der tijd een hoop gebeuren: Rembrandt kreeg een ander uitzicht en zijn schutters verdwenen en keerden jaren later weer terug, met Kerst doemde er een hartstochtelijk lelijke kerstmarkt op en in de zomer vlijden de toeristen zich op de terrasjes (soms gingen mijn collega’s en ik daar tussen zitten voor een kunstmatig vakantiegevoel), er kwam ook ineens een Starbucks en een Flying Tiger. Ik had daar verder geen mening over, behalve dat ik het fijn vond om te zien dat de stad steeds veranderde, ontwikkelde.

Zo ging dat ook in de boekenwereld. En met mijzelf. Toen ik onlangs gevraagd werd om over te stappen naar een nieuwe, avontuurlijke uitgeverij, een uitgeverij die, samen met allerlei andere zinderende start-ups, huist in het geheimzinnige Tetterodegebouw aan de Da Costakade waar je kunt verdwalen tussen verborgen theatertjes en krankzinnige urinoirs met een douche pal boven de pisbak, en waar in de gangen opeens antieke machines opdoemen die verwijzen naar de oude lettergieterij, wist ik dat ik deze kans moest grijpen.

Gisteren was ik voor het laatst op de oude uitgeverij. Het sluiten van die zware deur vond ik moeilijk. Met pijn in mijn hart laat ik mijn oude werk, mijn collega’s, de uitgever, kortom: mijn vrienden achter. Ik keek ook nog even achterom naar de deur van de buurman en realiseerde me dat ik weliswaar niet aan het statige grachtenpand aan de Herengracht gewoond heb, maar dat ik er toch wel degelijk thuis was.