Stort je op je werk, de wijn en de liefde

Het boek uit 1959, waarop de vermaarde speelfilm Zorba de Griek is gebaseerd, leest nog altijd als een sprankelende filosofische roman. Vooral dankzij de onvergetelijke vitaliteit van titelheld Zorbás.

Still uit de film Zorba de Griek, met links Anthony Quinn als Zorba

Een en al beweging is de roman Leven en wandel van Zorbás de Griek van Nikos Kazantzakis, te beginnen met het vertrek van de boot naar Kreta. De stuwende kracht achter het verhaal is een overzichtelijke tegenstelling: de ik-verteller, een ‘papiermol’, dat wil zeggen een schrijver en intellectueel, heeft in de haven van Piraeus een man van de wereld ontmoet, Alexis Zorbás. De naamloze verteller is vijfendertig en heeft als bemiddeld man een zekere status. Vergeleken met hem mag Zorbás al oud (vijfenzestig) en straatarm zijn, maar in fysieke kracht en levenservaring is hij veruit de meerdere.

De verteller is op weg naar Kreta om er een kolenmijn te exploiteren en besluit Zorbás als voorman in dienst te nemen; spoedig ontstaat er hechte vriendschap. De rolverdeling is duidelijk: de verteller zit met zijn neus in de boeken, heeft een tobberige natuur en berekent elke stap die hij zet, terwijl Zorbás van eten en drinken en dansen houdt, en vooral van vrouwen (‘een eindeloze zaak is de vrouw’). Verre van een weke hedonist, is Zorbás het type dat altijd voorop gaat in de strijd: als hij arbeidt, dan arbeidt hij met inzet van al zijn krachten en als hij geniet, dan geniet hij mateloos – hij houdt niet van ‘half werk’. Hij is een Macedoniër, en ingewikkelde problemen hakt hij net als zijn landgenoot Alexander de Grote met één houw door. Deze man lééft.

Tegenpool

Zet een man van de geest naast een man van de daad, dan komt een verhaal meteen op gang, maar als zoiets 350 bladzijden lang boeiend blijft, moet dat betekenen dat de tegenstelling minder simplistisch is dan ze op het eerste gezicht lijkt. Beide mannen dragen hun tegenpool in zich. Dat de ‘pennenlikker’ een onderneming om kolen te winnen opzet getuigt onbetwistbaar van dadendrang, en al ziet hij zichzelf als een verstokte rationalist, hij blijkt meermaals uiterst gevoelig voor de influisteringen van de intuïtie.

Anderzijds is Zorbás niet alleen een doener, maar op zijn manier een filosoof, die grossiert in levenslessen: ‘De mens is een zwijn! [...] Heb je hem kwaad gedaan, dan heeft hij respect voor je, siddert hij voor je. Heb je hem goed gedaan, dan rukt hij je de ogen uit.’ Bovendien bezit hij het filosofische vermogen de wereld met eeuwige verwondering te bekijken.

Het is niet overdreven Leven en wandel van Zorbás de Griek (oorspronkelijk verschenen in 1959 en nu voor het eerst rechtstreeks uit het Grieks in het Nederlands vertaald) als een filosofische roman te beschouwen, filosofisch op een terloopse manier, wars van academische bespiegelingen. De verteller doet moeizame pogingen geestelijk evenwicht te vinden in verzaking van de wil, een levenshouding die je boeddhistisch kunt noemen, of schopenhaueriaans. Daar stelt Zorbás een nietzscheaanse sterke wil tegenover, en een hartgrondige afkeer van ascese. Ascese getuigt van zwakte, het betekent afzien van vreugde uit angst voor verdriet. Wie ten volle leeft, is bereid te lijden – en te sterven. Deze filosofie draagt hij uit in kernachtige bewoordingen, maar vooral door zijn daden.

Natuurschoon

Nikos Kazantzakis (1882-1957) was zowel een man van de geest als van de daad. Hij schreef een omvangrijk oeuvre, dat mede door succesvolle verfilmingen internationale roem verwierf (overigens wijkt Zorba de Griek, met Anthony Quinn in de hoofdrol, op belangrijke punten van het boek af), maar hij was ook een hoge ambtenaar en kosmopoliet. Hij studeerde filosofie in Parijs bij Henri Bergson, wiens ideeën over onophoudelijke verandering en het primaat van intuïtie en ervaring tegenover de abstracties van het verstand duidelijk herkenbaar zijn in dit boek.

Een filosofische roman dus, maar ook het verhaal van een ontroerende vriendschap tussen twee mannen die, als de tijd gekomen is, met een enkel woord voorgoed afscheid nemen, want ‘zo doen kerels dat’. Het is bovendien een evocatie in zinnenprikkelende stijl van landelijk Kreta rond 1920, met haar natuurschoon en moeilijk te peilen bewoners. Maar Kazantzakis’ grootste verdienste is toch de onvergetelijke vitaliteit en uitgelatenheid van het personage uit de titel. ‘O, was ik maar zo jong als jij! Zee, vrouw, wijn, en werk in overvloed! Je erop storten zoals het maar uitkomt! Je storten op het werk, op de wijn, op de liefde, en geen angst hebben voor God en niet voor de duivel. Dan ben je pas een kerel!’ Dit boek is een tintelende oorvijg voor wie zijn leven verdoet met boeken lezen.