Spelen en ook nog leren in de nieuwe Taaltuin

Fenneke Hordijk ontwierp een taaltuin voor de Rotterdamse wijk Spangen. Volgende week opent burgemeester Aboutaleb de speeltuin.

De buurtkinderen nemen alvast een kijkje in de nieuwe speeltuin in Spangen. Foto Andreas Terlaak

Op warme dagen zitten moeders op kleedjes op het gras. Thermosflessen thee. Gesmeerde boterhammen in plastic zakjes. De kinderen spelen. En leren letters, woordjes en zinnen.

De speeltuin naast het Spartastadion in de Rotterdamse wijk Spangen is meer dan een speeltuin. Kinderen leren er letters, woorden en zinnen. Volgende week woensdag opent burgemeester Aboutaleb de taaltuin.

Het idee voor de tuin ontstond een paar jaar geleden. Kunstenares Fenneke Hordijk gaf toen nog Nederlandse les op een pabo. Ze bezocht haar studenten die al les gaven op een basisschool om te kijken hoe ze hun leerlingen leerden lezen. Ze zag hoe sommige kinderen worstelen met het leren lezen in groep 3.

Zou dat niet wat speelser kunnen, vroeg ze zich af. Moet je per se op je stoel zitten aan een tafeltje, of zouden kinderen ook al klimmend kunnen leren lezen?

Het idee liet haar niet los. Ze maakte een plan voor speeltoestellen die zo waren ontworpen dat kinderen tijdens het spelen letters leren en woorden vormen. Ze presenteerde haar plan aan de gemeente als een ‘bewonersidee’, dat zijn initiatieven van burgers voor de stad Rotterdam.

Juist in een wijk als Spangen, waar veel kinderen thuis een andere taal spreken, is zo’n speeltuin belangrijk, vindt ze. Zo’n 100.000 Rotterdammers (allochtoon én autochtoon) hebben moeite met lezen en schrijven.

De gemeente vond het niets. Te ingewikkeld en te duur. Inmiddels was Hordijk gestopt met lesgeven op de pabo en had ze een atelier in Spangen. „Ik ben toch samen met architect Mathieu Gielen mijn plannen gaan uitwerken tot serieuze producten.”

En zo ontstonden de springletterpaaltjes. Het idee is eenvoudig. Kleurige paaltjes van verschillende hoogte met op elk paaltje een zwarte letter. Die letter ligt óp het hout. Kinderen kunnen van de ene naar de andere letter springen, maar ook de vorm van de letters voelen. Hordijk: „Jonge kinderen zien alleen de letters, oudere kinderen maken misschien een woord. Zijn ze een jaar of zeven, dan zien ze misschien dat er een liedje bij hoort.” Dat liedje staat op een blauw, houten bord naast de paaltjes.

Verderop staat de woordslang. Naast hem een houten koffertje met: Ik ga op reis en neem mee... Op zijn slangelichaam (draaibare ronde houten blokken) staat wat er mee kan: rok, broek. Kinderen kunnen er ook gewoon op klimmen.

In de zandbak staat de wiskundeboom. Die bestaat uit geometrische vormen in geel, blauw en rood die samen een klimrek vormen. Hordijk: „De vormen zijn groot en klein, dik en dun, open en gesloten. Zo maken de kinderen kennis met abstracte vormen.”

Vinden kinderen het niet vervelend om óók tijdens het spelen nog te moeten leren? Nee hoor, zegt Hordijk. „Kinderen zijn heel gemotiveerd om te leren lezen. Ook als ze het moeilijk vinden. Ze hóéven niets met de letters en woorden, ze kunnen ook alleen spelen. Maar ze zien ze en gaan ze herkennen.”

Ze heeft grootse plannen met de taaltuin. Op de plek waar een verwaarloosd speelhuisje staat moet een ondersteboven glijbaan komen. Dat wordt een speeltoestel met golven. En natuurlijk teksten. „Die teksten kun je van verschillende kanten benaderen. Het verhaaltje dat je maakt wordt dan steeds anders.” In de ‘glijbaan’ komen cilindervormige openingen met grote, glazen bollen. Kinderen kunnen door de glazen bol een tekst lezen. Kijken ze via de andere kant naar de tekst, dan is die onleesbaar, want in spiegelbeeld. „Dit toestel”, zegt Hordijk, „is voor kinderen die al kunnen lezen maar meters moeten maken en verhaallijnen moeten leren herkennen.”

Enthousiast loopt ze verder. De wiebelplaten op stevige veren moeten gedichtenschotsen worden met dichtregels. „Dan kunnen ze gedichtjes springen.”

Te hard van stapel lopen kan niet. Voor elk idee moet weer een ambtenaar enthousiast worden gemaakt en een subsidiepotje gevonden. Ze vindt dat het minste aspect van het project. „Maar ik ben er inmiddels wel aan gewend.”