Sander had bruine ogen

‘Als je na dertien jaar nog niet weet dat je vriend bruine ogen had, dan heb je niet goed opgelet.” In de Volkskrant stond vorig weekend een interview met Annemarie Ebbeling. Haar zoon Sander overleed op 36-jarige leeftijd aan kanker. Zijn vriendin, Lideweij Bosman, verhuisde nog voor zijn overlijden plotseling naar Hawaï. Ze kon zijn aftakeling niet aanzien.

Vorig jaar publiceerde ze een boek over zijn dood en haar vertrek: Naupaka, een soort Komt een vrouw bij de dokter maar dan zonder ‘roman’ op de kaft.

Die opmerking van moeder Annemarie bleef me bij. Ultieme verontwaardiging gaat altijd over details: vluchten van een ziekbed à la, maar na dertien jaar samen de verkeerde kleur ogen beschrijven? Dat is onverteerbaar. Sander had bruine ogen, geen blauw-grijze zoals zijn vriendin beschreef.

Misschien trachtte Lideweij hem een beetje te anonimiseren. Een betere poging om haar fout te verdedigen: misschien kende Lideweij haar Sander te goed om zich de kleur van zijn ogen te herinneren. Want nu ik erover nadenk, ken ik de kleur ogen van nieuwe mensen in mijn leven beter dan die van al sinds lang bekende vrienden of geliefden. De oogkleur van mijn ouders of zussen ken ik al helemaal niet. Het is nooit in me opgekomen om daar op te letten. Wat nabij is, hoeft niet in het geheugen te worden vastgehouden.

Beginnende liefde maakt je opmerkzaam, duurzame liefde niet.

Moeder Ebbeling verwijt Lideweij dat ze niet goed heeft opgelet. Wanneer ik het woord ‘opletten’ hoor, denk ik aan de basisschool en de middelbare waar het herhaald klonk, begeleid door een klap in de handen of een tik op het bord. Na de behaalde diploma’s stopte het en heeft niemand me ooit nog verwoed bevolen dat ik moest opletten. We hebben het gebod ‘opletten’ teveel in één fase gepropt, alsof het alleen tot op een zekere leeftijd belangrijk is.

Een vriendin van mij ziet haar vrienden – vijftigers – bij bosjes uit elkaar gaan (ze vormen bosjes afgespleten takken). De meeste van die langdurige relaties eindigen omdat één van de twee een nieuwe geliefde ontmoet, iemand van wie zij of hij de kleur ogen kan dromen. Sleur vormt geen degen, verwondering wel.

En in de begintijd is de verwondering het grootst. Van iemand die net is aangekomen, herinner je je de afwezigheid nog vers. Die herinnering aan afwezigheid wijst prangend op de mogelijkheid van vertrek. Zodra die dreiging verdwijnt worden we algauw gemakzuchtig.

Zodoende denken we dat verwondering een verdienste van de ander is: de nieuwe geliefde biedt nieuwe ogen, de stof op school is nieuw voor leerlingen, vandaar dat je moet opletten. Maar opletten is een oefening; een oefening die niet van ‘nieuw’ afhankelijk is.

Ik ga mijn ouders eens diep in de ogen kijken.