Paren en slapen in de lucht boven Amsterdam

Vanaf deze week trekken ze weer massaal naar Amsterdam: gierzwaluwen. Ze vliegen met 100 kilometer per uur tussen de huizen. Kijk omhoog en verbaas je.

Foto Hollandse Hoogte

Nooit geweten? Eén troost – je bent de enige niet. Zelfs onder echte natuurliefhebbers weet lang niet iedereen het. Dat is geen desinteresse – integendeel. Maar ze kénnen hem simpelweg niet. De gierzwaluw.

Natuurlijk, iedereen geniet elke zomer wel ten minste één keer van een wolkje zwaluwen, hier of in Zuid-Frankrijk, want die zitten overal waar boerderijtjes staan en de zon schijnt. Zwaluwen, prachtige beesten. Boerenzwaluwen of huiszwaluwen, denk je dan misschien nog. En hooguit een enkeling: oh ja, en er bestaat ook nog zoiets als gierzwaluwen. Zal wel net zoiets zijn.

Nogmaals: je bent de enige niet. Gelukkig maar. Want achteraf zou je je nog best dom kunnen gaan voelen ook. Waarom zou de gemeentesite anders bijvoorbeeld een speciale pagina hebben over de aantallen gierzwaluwen in de stad, compleet met gedetailleerde kaart waar ze die zomer allemaal hebben gebroed? Andere vogels hebben zo’n pagina niet. Toch moet je er kennelijk met je neus bovenop worden gedrukt, bijvoorbeeld doordat iemand je het boek De gierzwaluw in handen duwt, tot eindelijk het kwartje valt: dit is blijkbaar een héle bijzondere vogel.

Maar waarom dan toch?

De achterflap van dit vorig jaar verschenen boek van Remco Daalder maakt alles in één klap duidelijk. „Gierzwaluwen eten in de lucht, ze paren in de lucht, ze zoeken al vliegend hun nestmateriaal bij elkaar en ze slapen in de lucht. Elk jaar vliegen ze vanuit hun overwinteringsgebied in Afrika 9.000 kilometer naar het noorden om net dat ene dak in de Kinkerbuurt in Amsterdam te vinden waar ze vorig jaar ook zo fijn hebben gebroed.”

Paren in de lucht? Dat klinkt al eh… opwindend. Maar slápen?! Het staat er echt. Dan ga je lezen. Over de spectaculaire loopings die ze maken, op raketsnelheid lijkt het wel, in soms grote groepen – en nooit botsen. Hoe ze opstijgen om in de lucht te gaan slapen, waar ze op grote hoogte „vijf seconden slapen, bijsturen, vijf seconden slapen, bijsturen, en dat de hele nacht door met een snelheid van minstens 20 kilometer per uur, zonder elkaar aan te raken.” Dat ze soms ‘even’ naar Parijs vliegen „om een bek muggen te halen als het in Amsterdam niet lukt”. Dat ze inderdaad in de lucht copuleren: de ene landt in de lucht bovenop de andere, waarna beide vele meters omlaag storten, „onder het uiten van een luide kreet”.

Nestelen onder de oude daken

Helemaal leuk is dat ze erg van Amsterdam blijken te houden – vooral het gebied binnen de ring biedt met zijn grote aantallen oude huizen perfecte nestgelegenheden onder dakpannen en boeidelen. Bovendien: het IJsselmeer ligt om de hoek (handig voor de 9.000 muggen die één gierzwaluw per dag moet eten). Sterker nog: Amsterdam is „het kerngebied voor de gierzwaluw in Nederland”.

Blijkbaar kun je ze hier overal aantreffen. In de Plantagebuurt. De Watergraafsmeer. Middenin de Pijp. In de Jordaan. En zelfs op de Zeedijk. Ze vliegen met 100 kilometer per uur tussen de huizen in nauwe straten, maken vlak voor ze de muur raken een hoek van 90 graden en vallen nooit te pletter. In duikvlucht halen ze 200 kilometer per uur.

Wat een beest. Wat een vogel. Wat dan misschien wel een beetje blijft knagen, is de grote vraag hoe het toch mogelijk is dat je dit niet wist. Daar is een remedie voor: doe gewoon eens wat navraag onder vrienden, familie en collega’s – gegarandeerd dat het de pijn iets verzacht. Want wat blijkt: niemand weet het. Sterker: de kans is groot dat de meesten je in eerste instantie niet eens geloven. Paren? Slápen?! Snel genoeg kom je erachter dat die rare gierzwaluw een vaste club fans heeft – 1: vogelaars; en 2: bewoners met jaar in jaar uit dezelfde gierzwaluw onder hun dakpan – en dat de rest over het algemeen geen idee heeft. En ze ook niet zíét, al knallen ze in grote groepen met een noodgang vlak boven je door de lucht. En ze ook niet hóórt, ondanks het soms snerpend harde ‘gieren’ dat ze doen – een geluid dat onmiskenbaar bij zomeravonden hoort, maar toch niet als zodanig wordt geregistreerd. Het blijft een raadsel.

De meeste lezers van dit artikel hebben dus nog nooit een gierzwaluw gezien. Of gehoord. Niet bewust althans. Maar dat gaat veranderen. En wel vanaf nu. Vanaf de tweede week van april komen ze weer met tienduizenden naar ons land, waarvan een aanzienlijk deel dus naar Amsterdam.

Dat specialist Remco Daalder tevens stadsecoloog van Amsterdam is, is dan ook een uitkomst voor al die Amsterdammers – gokje: 95 procent? – die eveneens geen idee hadden wat zich boven hun hoofd allemaal afspeelde op die zwoele zomeravonden.

Daalder weet exact waar we allemaal omhoog moeten kijken de komende drie maanden (eind juli vertrekken ze alweer naar het zuiden). Dat is op zoveel plekken, dat geen Amsterdammer straks nog met goed fatsoen kan beweren nog nooit een gierzwaluw te hebben gezien. Sommige locaties, zoals op het Rapenburgerplein, zijn vrij ideaal: die kun je het best bekijken vanaf het terras, biertje in de hand.

Morgen begint het feest. Of overmorgen. En anders volgende week. Alle onwetenden staan op het punt een hele nieuwe wereld in, of eigenlijk: boven Amsterdam te ontdekken – enkel door omhoog te kijken.

Opwindend.