Opgegraven Hercules verbijsterde Rome

Goltzius, De Farnese Hercules gezien van achteren, (1591, krijt, 39×21,5 cm) Collectie Teylers Museum

Sinds de Renaissance hebben kunsttheoretici gewezen op het belang van de navolging van de natuur en het bestuderen van de klassieken. Voor het eerst moet de kunstenaar de deur uit om buiten mensen en dieren, gebouwen en landschappen te bekijken en te tekenen. Het tweede kon hij ook thuis doen. Prenten en tekeningen die de studie naar oude kunstwerken illustreren, zijn opvallend vaak interieurs. Bij kaars- of lamplicht bestudeert een kunstenaar antieke beelden of afgietsels.

De voorstellingen van die nachtelijke sessies zijn te zien op een kleine expositie in het prentenkabinet van Teylers Museum. De catalogus (alleen in het Engels) licht toe dat deze manier van weergeven het mysterie weerspiegelt rond de bewonderde kunst uit de Griekse en Romeinse Oudheid.

Maar het illustreert ook de vlijt waarmee kunstenaars, zelfs ’s nachts nog, het klassieke ideaal probeerden te doorgronden. Het ging hier immers niet om schoonheid die je overdag bij zonlicht in de werkelijkheid kon aanschouwen, maar om de bovenaardse pracht van geïdealiseerde mannen en vrouwen. Zoals de Griekse schilder Apelles die had weten te bereiken door de mooiste lichaamsdelen van op zichzelf al beeldschone vrouwen in een figuur samen te brengen.

Wie de beschikking had over of toegang tot een collectie marmersculpturen of gipsafgietsels kon dus thuisblijven. Anderen, zoals de Vlaming Rubens in de zeventiende en de Engelsman Turner in de negentiende eeuw, moesten toch op reis. Vaak ging het naar Rome, de stad waar vooral in de late vijftiende en de zestiende eeuw verbijsterende beelden gevonden waren, van de serene Belvedere Apollo tot de expressieve Laokoön die door zeeslangen wordt verzwolgen.

Hoogtepunt op de tentoonstelling Het klassieke ideaal is werk dat de Haarlemse schilder en prentmaker Hendrick Goltzius maakte tijdens zijn verblijf in Rome in 1591. Daar tekende hij de belangrijkste klassieke beelden om daar later een prentenreeks van samen te stellen. Eén ervan stelt de mythologische held Hercules voor: een meer dan drie meter hoog marmeren beeld uit de derde eeuw, door de Romeinen gekopieerd naar een Grieks origineel. De gespierde kolos leunt met introspectieve blik op zijn knots. Rechtsonder in Goltzius’ tekening gapen twee nietig weergegeven mannen het beeld aan. Naar de familie die het beeld toen bezat, wordt het de Farnese Hercules genoemd. Op een andere tekening legt Goltzius de rijzige Hercules van achteren vast.

Maar door alle ontzag schemert soms een opvallend zelfbewuste omgang met oude beelden. De Farnese Hercules was in onderdelen teruggevonden: eerst het hoofd, in een waterput in de Romeinse volkswijk Trastevere, een paar jaar later de torso, in de resten van het badhuis van keizer Caracalla, waar uiteindelijk ook de benen werden gevonden. In de tussentijd was het onderlichaam al gereconstrueerd door een Italiaanse kunstenaar. Niemand minder dan ook toen al beroemde Michelangelo zou zich hebben verzet tegen het voornemen de nieuwe onderdelen te vervangen door de originele. Zoals hijzelf ernaar streefde de klassieken te overtreffen, was hij van mening dat het werk van een renaissancekunstenaar niet hoefde onder te doen voor dat van een klassieke.