Column

Onruststoker

Even dacht ik aan een aanslag toen ik hoorde dat een man gisterochtend zijn Utrechtse flat dreigde op te blazen. Geert Wilders was immers in de buurt. Die bracht een bezoek aan een islamitisch centrum in dezelfde wijk. Maar toen ik aan kwam fietsen, deden drie omroepen hun standuppertje met de flat als treurig decor en was de onruststoker al op een brancard afgevoerd. Een deken over zijn lichaam.

De flat staat op de hoek van de Nigerdreef en de Bantoedreef. (Het straatnaambordje legt uit: „Afrikaans negervolk.”) De onruststoker woonde op de negende verdieping, op nummer 165. Hij was die ochtend door een deurwaarder bezocht, omdat hij zijn huur niet had betaald. De deurwaarder rook gas op de overloop en liet daarop de portiekflat ontruimen. In de hele flat werden gas en elektriciteit afgesloten.

De straat stroomt leeg, de laatste brandweerwagen start zijn motor. Honden en hun bazen nemen de groenstrook weer in bezit. Burgemeester Van Zanen verschijnt even. „We hebben ons werk gedaan”, zegt hij. „De mensen zijn gerustgesteld.” Wie zijn dan gerustgesteld, vraag ik; de bewoners zijn allang naar binnen. Hij wijst naar de broer van de onruststoker: een Somaliër.

De broer oogt kwetsbaar in zijn lichtblauwe overhemd en nette grijze jack. In zijn hand een gebarsten Nokia. De onruststoker heeft hem net gebeld, zegt hij. Hij is in het ziekenhuis aangekomen.

De broer vertelt. Zijn familie komt uit Ceerigaabo, Noord-Somalië, en maakt deel uit van de Isaaq-stam. Vader, moeder en de twee broers vluchtten in 1989 naar Nederland, tijdens de burgeroorlog. De onruststoker was toen vijftien, zijn broer twintig. Ze kregen allemaal een verblijfsvergunning.

De jongens vonden werk als magazijnmedewerker en in de expeditie. De broer trouwde en kreeg kinderen, de vader stierf, de moeder werd hartpatiënt, de onruststoker verloor zijn baan en kwam eens om onduidelijke reden in aanraking met de politie. Hij bleef alleen. Totdat hij in 2010 in Djibouti, op familiebezoek, een vrouw ontmoette. Ze trouwden ter plaatse en zij raakte in verwachting.

Hij keerde terug om werk te zoeken en een huis zodat hij zich met zijn gezin in Utrecht zou kunnen vestigen. Zij kreeg een zoon in Afrika, hij zwierf rond. In september vorig jaar vond hij voor een huurprijs van ruim 650 euro per maand een flat aan de Nigerdreef. Hij ontving een bijstandsuitkering, maar wist niet hoe hij een huurtoeslag aan moest vragen of een zorgtoeslag. Hij zocht hulp bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente en bij woningbouwvereniging Portaal. Die willen niet reageren op deze „individuele zaak”. „Hij is”, zegt zijn broer, „door niemand geholpen.”

Een medewerker van Portaal zag hem wel eens lopen in de wijk. „Een lange man met een te grote jas aan.”

Heeft de onruststoker al zijn geld soms naar Djibouti gestuurd? Hij moet een half jaar huurachterstand hebben opgelopen. „Hij is administratief analfabeet”, zegt zijn broer. Zijn dreigement de flat op te blazen, lijkt mij een tragische botsing van een dwaalgast met het Nederlandse systeem.

Gisterochtend werd de broer opgetrommeld om te onderhandelen. Zijn moeder stond naast hem. Hij hoorde een sombere stem door de telefoon. „In trieste woorden heeft hij gezegd: ik wil mezelf vermoorden.” De onruststoker zette de gaskraan open, de moeder begon te huilen, de politie sloeg alarm. „Ik zei: we komen naar je toe”, zegt de broer. Toen kwam hij zelf naar buiten.