Column

Nul komma nul

Arnon Grunberg schreef een interessante column in de Volkskrant over zijn ervaringen in het bezette Maagdenhuis. Men had hem gevraagd de actievoerders toe te spreken. Hij stelde voor het voorlaatste hoofdstuk van J.M. Coetzees roman Elizabeth Costello te bespreken.

„We zaten in de kamer van bestuursvoorzitter Gunning. Na een tijdje zei een student dat hij gevoel miste en dat we misschien beter konden mediteren. Er waren meer deelnemers die behoefte hadden aan minder Kafkaverwijzingen en meer gevoel.”

Grunberg schrijft dat hij iets geleerd heeft in het Maagdenhuis. „Als mensen over gevoel spreken, hebben ze het over het recht op luiheid zonder schuld. Een kwaal die typerend is voor onze cultuur: de emotie is de schaamlap van intellectuele luiheid.” Anti-intellectualisme is nog altijd in de mode, concludeert hij. „Of dat de bouwsteen is van de universiteit van de toekomst betwijfel ik.”

Zijn column trof mij omdat ik door een toeval juist iets met dezelfde teneur had gelezen van een andere Nederlandse schrijver. Het was het essay Bij nul beginnen uit 2013 in Hollands Maandblad van Bregje Hofstede. Zij debuteerde een jaar later met de roman De hemel boven Parijs. In haar essay voorspelde zij dat haar leerlingen haar roman nooit zouden lezen.

Zij gaf toen al drie jaar examentrainingen aan vwo-leerlingen en merkte dat zij allerlei woorden niet kenden, zoals: rivaal, sceptisch, apartheid, mits, moreel, pragmatisch, idealisme. Steeds moest zij de betekenis van die woorden uitleggen. Het waren niet de meest belezen leerlingen (van autochtone afkomst overigens), sommige hadden last van dyslexie, maar ze waren wel doorgedrongen tot de eindexamenklas.

„Voor de meeste van mijn leerlingen blijft bij lezing van een tekst slechts een beperkt aantal bekende woorden over, en daarmee laat zich dan slechts een rudimentaire versie van de oorspronkelijke boodschap samenstellen. ‘Volgens mij vindt hij het kut’, concludeert mijn leerling als ik geluk heb. De betekenis wordt teruggebracht tot bijna nul.”

Met het historisch besef blijkt het nog slechter gesteld, dat is „nul komma nul”. „Met suggestieve vragen probeer ik Coco, Heaven-Lee of Spijker naar het juiste meerkeuzeantwoord te sturen. De tekst gaat over eugenetica in de geschiedenis.” Van haar collega’s had ze geleerd zich niet te laten ontmoedigen. „Laatst zei er een opgewekt: ‘Maar ik had er gister één die ‘tevens’ kende!’”

Het klinkt misschien een beetje cynisch, maar ik denk niet dat Hofstede het zo bedoelde – en Grunberg evenmin. Bij haar proef ik bezorgdheid, bij hem een mengeling van verbazing en weerzin. „Ik geloof niet dat ik ooit één leerling overtuigd heb thuis een boek te pakken”, schrijft Hofstede. „Veel te moeilijk, denken zij, mijn vwo-leerlingen.”

Zijn ze te somber, op het cultuurpessimistische af? Ik kan dat moeilijk beoordelen, met de generatie jongeren waarover zij schrijven heb ik te weinig ervaring. Mijn kleinkinderen zijn nog niet zover – wat ’n geluk dat ik me daarachter kan verschuilen! Het verwijt van cultuurpessimisme („Die jeugd van tegenwoordig”) ligt voor de hand, maar lijkt mij een dooddoener.

Als twee nog betrekkelijk jonge schrijvers, onafhankelijk van elkaar, na bepaalde veldervaringen tot dergelijke gelijksoortige bevindingen komen, moet er op z’n minst iets aan de hand zijn.