Niet alleen de bij heeft last van nieuwe bestrijdingsmiddelen

Een generatie bestrijdingsmiddelen doodt niet alleen plaaginsecten, maar ook insecten die de gewassen beschermen.

foto reuters

Een groep veelgebruikte middelen in de landbouw die plantenvraat door insecten moeten bestrijden, doden ook nuttige insecten. Niet alleen bijen en andere bestuivers, maar ook roofinsecten zoals kevers en sluipwespen, die gebruikt worden voor biologische gewasbescherming. Daardoor is de oogstopbrengst soms lager. Ook lijden ecosystemen eronder.

Het gebruik van die neonicotinoïden strookt daardoor niet met het EU-beleid voor verantwoorde plaagcontrole. Dat schrijven de 29 Europese wetenschapsacademies in een gezamenlijk rapport, dat ze maandag aanbieden aan de Europese Commissie. De essentie ervan stond gisteren in het tijdschrift Nature. De EU had om gegevens gevraagd om te beoordelen of de bestrijdingsmiddelen mogen blijven.

Neonicotinoïden zijn een relatief nieuwe klasse van insecticiden. Sinds eind jaren 90 zijn ze populair en inmiddels horen ze tot de meest gebruikte bestrijdingsmiddelen. De omzet loopt wereldwijd in de miljarden.

Neonicotinoïden worden ook veel preventief ingezet: zaden worden ermee behandeld voordat ze de grond in gaan. De werkzame verbindingen verspreiden zich vervolgens door de hele plant. Het overgrote deel komt al snel in de bodem terecht en blijft daar jarenlang actief.

Aardhommels

De bedoeling is dat alleen insecten die van het gewas vreten worden gedood. Maar al sinds 2008 zijn er aanwijzingen dat neonicotinoïden ook schadelijk zijn voor nuttige insecten. Er is veel onderzoek gedaan, met wisselende uitkomsten. In 2013 besloot de EU drie soorten neonicotinoïden te verbieden, maar een handvol andere is nog volop in gebruik; elders in de wereld zijn er geen restricties.

De gezamenlijke wetenschapsacademies bundelden gegevens van ruim 1.000 onderzoeken. „Daaruit blijkt overduidelijk dat er aanzienlijke schadelijke effecten zijn”, zegt Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer aan de Wageningen Universiteit. Hij vertegenwoordigde Nederland in de onderzoekscommissie, samen met Martin van den Berg, hoogleraar toxicologie in Utrecht.

Eerdere studies richtten zich vooral op de effecten op honingbijen. Maar dat is geen representatieve groep insecten om de effecten van insecticiden te meten, legt Berendse uit. Hun aantallen hangen vooral af van de inzet van de imker, dus kun je moeilijk concluderen waarom hun aantallen fluctueren.

Verder zijn honingbijen ook vanwege hun leefwijze uitzonderlijk. Ze leven in grote kolonies, in korven. Daardoor hebben ze minder last van insecticiden. Insecten die in kleinere kolonies buiten wonen, zoals aardhommels, of zelfs in hun eentje, zoals solitaire bijen, zijn veel kwetsbaarder voor insecticiden. „Als je juist naar die bestuivers kijkt”, zegt Berendse, „en ook naar bijvoorbeeld zweefvliegen, motten en dagvlinders, dan zie je veel meer negatieve effecten dan bij honingbijen.”

Het nieuwe rapport benadrukt ook de negatieve gevolgen voor biologische bestrijders: de natuurlijke vijanden van plaagdieren. Schadelijke naaktslakken bijvoorbeeld hebben zelf geen last van neonicotinoïden. Maar de roofkevers die tegen de slakken worden ingezet, gaan dood als ze de naaktslakken eten. Het netto effect is dat er in velden met neonicotinoïden méér naaktslakken zijn dan in velden zonder.

De EU moet met de gegevens aan de slag. Berendse: „Onze studies zijn openbaar en uitgebreid onderworpen aan peer review. De industrie mag haar eigen rapporten indienen. Die zijn niet openbaar. Ik weet niet hoe zwaar die zullen meewegen. Maar ik weet wel dat de economische belangen enorm zijn.”