Links droomt weer van samenwerken

Krimpend links praat ‘op de tast’ over krachtenbundeling. PvdA en GroenLinks dan – de SP doet niet mee.

Fractievoorzitters Roemer (SP),Samsom (PvdA) enVan Ojik (GroenLinks) tijdens het debat in januari over de aanslag in Parijs op het kantoor van het Franse satirische weekbladCharlie Hebdo. Foto Phil Nijhuis

Links was in Nederland nog nooit zo klein. Dat zet linkse politici aan het denken. Luister eens naar Hans Spekman, partijvoorzitter van de PvdA: „De linkse partijen moeten gaan samenwerken. Laten we alle kinnesinne opzij zetten en de krachten bundelen tegen het grootkapitaal.”

En naar Maarten van Poelgeest, prominent GroenLinkser: „Ik zie PvdA en GroenLinks steeds dichter bij elkaar komen. Er is een noodzaak om elkaar te vinden.”

En wat te denken van Staf Depla, PvdA-wethouder in Eindhoven? „Als we als progressieve partijen zo versnipperd blijven, sterven we in schoonheid. Links moet een gemeenschappelijke agenda formuleren.”

En voormalig GroenLinks-leider Femke Halsema? „Een links stembusakkoord bij de volgende verkiezingen is toch het minste.”

Progressieve samenwerking begint in Den Haag weer voorzichtig een onderwerp van gesprek te worden. Scepsis en teleurstelling over eerdere mislukte pogingen worden opzij gezet, het besef dringt door dat de overeenkomsten groter zijn dan de verschillen. Hoewel breken met de VVD voor PvdA’ers op dit moment geen optie is, kijken ze alvast naar de volgende verkiezingen. „PvdA en GroenLinks verschillen nauwelijks”, zegt PvdA-Kamerlid Mei Li Vos. „We verspillen veel te veel tijd met het elkaar bestrijden op details.”

In verschillende manifesten pleitten bezorgde PvdA’ers de afgelopen tijd voor linkse machtsvorming. De wetenschappelijke tijdschriften van PvdA en GroenLinks brengen deze maand een gezamenlijk nummer uit over linkse samenwerking. En in het Amsterdamse debatcentrum De Balie is binnenkort een bijeenkomst waar politici als Spekman, Vos, Rik Grashoff (GroenLinks-partijvoorzitter) en Arjan Vliegenthart (SP-wethouder in Amsterdam) met elkaar in gesprek gaan over ‘toekomst voor links’.

Er loopt ook een ander initiatief: GroenLinkser Van Poelgeest en PvdA’er Pieter Hilhorst, allebei ex-wethouder in Amsterdam, voeren gesprekken over nadere samenwerking van hun partijen. Over de inhoud doen ze geheimzinnig: er vallen termen als „op de tast” en „niet voor hier en nu, maar voor straks en later”.

Voor de toenadering is een duidelijke existentiële verklaring: links krimpt. Bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart leed de PvdA een dramatische nederlaag – morgen doen de leden op een partijbijeenkomst in Nieuwegein voor de zoveelste keer aan post-electorale rouwverwerking.

Ondertussen weten de SP en GroenLinks qua stemmenaantal nauwelijks te profiteren van de malaise bij de sociaal-democraten. De afgelopen twee decennia schommelden de drie linkse partijen samen rond de 55 Kamerzetels – volgens de meest optimistische peilingen zouden daar nu krap vijfenveertig van overblijven.

Hét moment voor de linkse partijen om elkaar op te zoeken, zou je denken. Politicologen zeggen: samenwerking komt alleen tot stand als het met álle betrokken partijen slecht gaat. Zo ging dat eind jaren zeventig bij de totstandkoming van het CDA. En eind jaren tachtig bij GroenLinks.

Over de vorm die de linkse samenwerking zou moeten krijgen, zijn de meeste sympathisanten terughoudend. Ze vrezen dat openlijk praten over een fusie of een gezamenlijke lijst weerstand binnen hun partijen zal oproepen. Alleen Mei Li Vos zegt dat „een fusie een heel normale ontwikkeling in de Nederlandse politiek” is.

Wel worden uit gesprekken met betrokkenen de contouren van een gezamenlijk links programma duidelijk. De partijen zouden elkaar kunnen vinden op thema’s als duurzaamheid en klimaat, de kwaliteit van werk en de verdeling van rijkdom. „GroenLinkser Jesse Klaver heeft de Franse econoom Piketty onlangs naar de Tweede Kamer gehaald”, zegt Maarten van Poelgeest. „Vijftien jaar geleden had een PvdA-Kamerlid dat gedaan.”

PvdA’er Staf Depla noemt nog twee punten die wat hem betreft in een gezamenlijk links programma thuishoren: steun voor burgerinitiatieven en het ‘wit’ maken van persoonlijke dienstverlening door flink te korten op de belasting op lage inkomens.

De toenadering is vooralsnog alleen tussen PvdA en GroenLinks. D66 hoort voor de linkse partijen inmiddels bij ‘rechts’. En ook de SP doet niet mee. Volgens Kamerlid Ronald van Raak wil zijn partij „met iedereen praten”, maar heeft zoiets alleen zin „als de politieke leiders bij elkaar gaan zitten”. Bij de SP speelt nog iets anders: boosheid over het ‘verraad’ van de PvdA, die in 2012 een coalitie vormde met de rechtse VVD.

Femke Halsema vindt het „onverteerbaar” dat links „permanent met elkaar in concurrentie” is. „Als de PvdA wint, komen die zetels altijd van andere linkse partijen. Dat is ineffectief, weinig geloofwaardig en machtsstrategisch heel dom.” De ambitie van de PvdA om bij iedere verkiezing de premier te willen leveren, zegt Halsema, leidt tot het „kapotmaken van kleine linkse partijen. Als links ooit echt een vuist wil maken, moet de PvdA die drift zien te beheersen.”