Laatste loper krijgt een heldenonthaal

Voor sommige lopers lijkt de marathon langer dan voor anderen. Op karakter vervolgen zij hun lijdensweg naar de finish waar ze een heldenonthaal krijgen. Uniek in Nederland.

Maanden heb je getraind, door herfststormen en voorjaarsbuien en als het helemaal tegenzit ook nog ploeterend door de sneeuw. Pasta en pannenkoeken staan bovenaan het menu in de weken voorafgaand aan de marathon. Koolhydraten stapelen voor de grote dag die steeds dichterbij komt. Op vrijdag, zaterdag of, als je van ver buiten Rotterdam komt, vroeg op de zondagochtend haal je je startnummer op in het World Trade Center. Daar kruis je op een formulier ook je verwachte finishtijd aan. Op basis van die tijd krijg je een startvak aangewezen. Je blijkt in het laatste vak te moeten starten, ter hoogte van de Hofpleinfontein. Een halfuur voor de start sta je klaar. De één is druk aan het rekken en strekken, de ander maakt een praatje of wacht in stilte. Het zijn minuten die uren duren. Dan hoor je een bekende, galmende stem. Lee Towers die You’ll Never Walk Alone inzet. Niet lang daarna, om tien uur precies, een kanonschot. Het is begonnen.

Voor Natasja Pompen, laatste loper in 2010, ging het vrij lang goed. Haar breekpunt lag rond het 33 kilometerpunt. „Alles deed toen pijn. Ik was lichamelijk en mentaal opgebrand.” Voorafgaand aan de marathon had de docent Nederlands als loper vijf keer meegedaan aan de Roparun, de estafetteloop van Rotterdam naar Parijs, om geld in te zamelen voor kankerpatiënten. Als Rotterdamse moest en zou ze ook de marathon lopen. „Het is een hele ervaring zo’n marathon. Maar van mij hoeft het echt niet meer. Het was mijn eerste en meteen mijn laatste keer. Je moet stoppen op je hoogtepunt.”

Op de Boszoom begon, zoals Pompen het noemt, „het spel met de motor”. „Daar begon de verslaggever van Rijnmond al met het interviewen van de groep laatste lopers. Ik denk dat ze dan al selecteren wie het leukst overkomt op tv en radio en wie het nog in zich heeft om het uit te lopen. Uiteindelijk ben ik dat geworden.”

Sinds 2007 is Rijnmond-verslaggever Dave van der Wal de plaaggeest van de laatste loper. Gezeten achterop de motor van de NOS interviewt hij de laatste lopers over hun leven, motivatie en of ze het nog een beetje volhouden. Aan Natasja Pompen vroeg hij of de man die naast haar fietste haar vader was. „Nee, mijn vader is dood”, flapte ze er uit. Op de lijdensweg van de laatste loper is geen ruimte voor nuance.

Van der Wal noemt het interviewen vanaf de motor „de leukste klus van het jaar”. „Al was het de eerste keer wel lastig. Inmiddels heb ik een goede strategie ontwikkeld om de lopers te interviewen. Vaak fietsen er langs de route familieleden of vrienden mee. Die stel ik dan buiten de uitzending om vragen over het leven van de lopers. Met die informatie kan ik vervolgens gerichte vragen stellen, zodat zij korte antwoorden kunnen geven.” De laatste loper die Van der Wal het meest is bijgebleven is Auke Teunissen uit 2009. „Hij had kanker overwonnen en om dat te vieren liep hij de marathon. Dat zijn van die ontroerende verhalen die je op zo’n dag heel veel tegenkomt. Ik moet toegeven dat ik achterop de motor soms ook even een traantje weg pink.”

De laatste loper wordt door de organisatie van de marathon aangewezen (zie kader). De escorte van motoragenten en de huldiging door de burgemeester en de winnaar van de marathon, zijn uniek. Er is geen ander sportevenement waarbij een laatste deelnemer zo in het zonnetje wordt gezet.

De afstemming tussen de organisatie en het live-team van RTV Rijnmond over wie de laatste loper is, verloopt echter niet altijd even soepel. Zo bleek bijvoorbeeld in 2012. Bij die editie was het stuivertje wisselen tussen twee laatste lopers. Een nachtmerrie voor een verslaggever die een portret moet maken van de laatste binnenkomer. Van der Wal doopte uiteindelijk de uit Helmond afkomstige Bert Bosch tot de officiële laatste loper.

„Je zult het niet geloven, maar in 2006 woog ik 130 kilo”, zegt de nu 85 kilo wegende Bert Bosch. In zijn afvalrace tegen de kilo’s raakte de Helmonder verslingerd aan hardlopen. „Zo’n zes jaar geleden woog ik nog 110 kilo en dat was het moment waarop ik meer mocht gaan sporten. Ik ben toen begonnen met afstanden van vijf kilometer en daarna ben ik halve triatlons gaan doen.” Doordeweeks zit Bosch vijftien uur per dag in een vrachtwagen. Niet het ideale beroep als je in training bent voor een marathon. Iedere dag, op willekeurige plekken in Europa, loopt de vrachtwagenchauffeur een uurtje hard. In het weekend bouwt hij zijn conditie verder op met het lopen van langere afstanden. Het mocht tijdens zijn eerste marathon niet baten. „Bij het Kralingse Bos, zo rond het 30 kilometerpunt, voelde ik dat het zwaar ging worden, je kwam daar alleen te lopen, dat is psychologisch zwaar. Ik ben toen afwisselend gaan joggen en wandelen om toch maar in beweging te blijven.”

Op de Blaak werd Bosch verteld dat hij de laatste loper zou zijn en wat hem te wachten stond: de motorcolonne met loeiende sirenes en een uitzinnige menigte op de Coolsingel. De Helmonder kende de Rotterdamse traditie niet. Hij gebruikte zijn moment of fame voor een politiek statement. „De marathon was toen in een periode dat Wilders heel erg van zich liet horen in de media. Ik kon het niet laten om tijdens mijn interview wat over die man te zeggen. Heel de dag was ik als loper namelijk aangemoedigd door mensen uit allerlei verschillende landen. Kippenvel kreeg ik daar van.” Op de finishlijn stonden zijn vrouw, zoon, de winnaar van de marathon en de burgemeester hem met open armen op te wachten. „Dan vergeet je de pijn meteen. Je wereld kan dan niet meer stuk.”

Het gezelschap diende wel snel plaats te maken, want direct na de binnenkomst van Bosch werd de slotscène van de film De Marathon opgenomen. In de film probeert Gerard, gespeeld door acteur Stefan de Walle, met zijn laatste krachten de finishlijn te bereiken. Uiteindelijk komt het met behulp van zijn Rotterdamse garagecollega’s allemaal tot een goed eind, al wordt het adagium dat hardlopers doodlopers zijn, eens te meer bewaarheid.

Een jaar eerder, in 2011, finishte de Rotterdamse Esther Jonker als laatste loper op de Coolsingel. „Ik heb vijftien jaar als vrijwilliger voor de marathon gewerkt en ik heb altijd de wens gehad om de marathon ook eens een keer van de andere kant mee te willen maken.” Het werd een helletocht. „Op de Brielselaan, ter hoogte van Meneba, had ik het al eigenlijk niet meer. Dat was op de helft van de route. Dus dan moet je nog wel een aardig stuk.” De vele toeschouwers in het centrum en de muziek langs de route sleepten haar er doorheen. „Op de Blaak werd ik tot laatste loper verkozen. Dan is het nog drie kilometer. Je hebt dan echt geen puf meer, maar je moet het tempo erin houden, want de bezemwagen zit je op de hielen. Ik had toen ook verschrikkelijke dorst, omdat er op het laatste deel van de route bijna geen drinken meer te krijgen was.” En dat uitgerekend bij een loper die vijftien jaar lang als vrijwilliger drinken uitdeelde bij het evenement. Een laatste loper wordt niets bespaard.

Na vijfeneenhalf uur komt het eind voor de laatste loper in zicht. Het is alleen nog even de hoek om bij het Maritiem Museum, de Coolsingel op. De speaker kondigt je al aan. You’ll never walk alone wordt ingezet. De sirenes van de motorcolonne loeien. Een regen van confetti daalt op je neer. Het publiek schreeuwt je uitzinnig toe. Dave van der Wal vraagt voor een laatste keer wat er door je heen gaat. In de verte staan de burgemeester en de winnaar al op je te wachten. De verlossing is nabij.