Koning Napoleon op weg naar zijn paleis

De intocht van Lodewijk Napoleon, 20 april 1808, prent van J.A. Loutz naar een tekening van J.A. Langendijk, aquatint, 32,4 x 43,9 cm.

Op 20 april 1808 vond in de stad een opvallende gebeurtenis plaats. Lodewijk Napoleon, een jongere broer van keizer Napoleon Bonaparte en sinds 1806 koning van Holland, trok Amsterdam binnen om er intrek te nemen in zijn nieuwe residentie: het oude Amsterdamse stadhuis, speciaal voor hem verbouwd tot paleis – het Paleis op de Dam.

Het koninklijke rijtuig was tien uur ’s ochtends vertrokken uit Utrecht. Voorop gingen twee herauten, gevolgd door een groep huzaren. Dan kwam een achttal koetsen, elk met zes paarden bespannen. En ten slotte een detachement kurassiers, zwaar bewapende ruiters. Bij het tolhek van de Watergraafsmeer, aan de Amsterdamse zijde van de Middenweg, stond een delegatie Amsterdamse bestuurders de koning op te wachten. Burgemeester J. Wolters van der Poll bood de koning onder het uitspreken van vleiende woorden de sleutels van de stad aan.

Aan de kop van de stoet stelde zich nu een erewacht van jonge mannen en zo bewoog deze zich naar de Muiderpoort. Daar klonk een eresalvo van 33 kanonschoten toen de koning de poort passeerde en zijn weg vervolgde over de Plantage Middenlaan, langs de Hortus en de synagoge, waar naar links werd afgebogen naar de Nieuwe Amstelstraat. Dat moment is op de prent afgebeeld. In het midden staat het grote gebouw van de Portugees-Israëlitische Synagoge. De stoet komt achter het complex vandaan en draait op de hoek van de Jodenbreestraat en de Rapenburgerstraat in onze richting. Het rijtuig dat de Nieuwe Amstelstraat (toen Amstelstraat, volgens het straatnaambordje) nadert is dat van de koning. Het was een blauw met gouden statiekoets, versierd met het wapen en de initialen van de koning. De koetsier zat op een bok van wit en blauw satijn. Opzij van hem stonden twee pages, en achterop het voertuig nog eens vijf. Wie goed kijkt, ziet door het ruitje de koning een blik naar buiten werpen. Volgens het eind 1808 verschenen boek De verheugde hoofdstad, waaraan deze gegevens ontleend zijn, klonk langs de gehele route door de stad een luid „Hoezee! Lang leve de Koning!”

Of iedereen zo koningsgezind was is nog maar de vraag. Nederland bevond zich op een economisch dieptepunt en de ooit bloeiende haven van Amsterdam was een toonbeeld van diepe malaise. Links op de prent vindt een opstootje plaats: een man ligt op de grond en een oude vrouw dreigt flauw te vallen; waarschijnlijk eerder van de honger dan van de emotie van het koninklijke moment. Zo stortten in deze jaren ook regelmatig huizen in de stad ter aarde. En hoezeer de koning ook zijn best deed – hij leerde zelfs voldoende Nederlands om zich als ‘conijn van olland’ te presenteren – het koninkrijk werd geen succes. Drie jaar later stonden de Amsterdamse bestuurders weer aan het tolhek van de Watergraafsmeer. Deze keer om keizer Napoleon Bonaparte de sleutels van de stad aan te bieden. Nederland werd een Franse provincie.

Prentmaker Loutz werkte naar een tekening van J.A. Langendijk. Ook tegenwoordig is het nog mogelijk de standplaats van de tekenaar terug te vinden op het moderne drukke Mr. Visserplein. Langendijk stond ter hoogte van het eerste muuranker, gerekend vanaf de Nieuwe Amstelstraat, van de muur die de binnenplaats van de huidige Academie van Bouwkunst omsluit. Vanaf dat punt ligt de hoek van de dienstgebouwen van de Portugese Synagoge precies in een lijn met de linker muurpijler van het hoofdgebouw. En gelet op het hoge standpunt stond Langendijk, net als veel andere toeschouwers, op een hoog punt: bovenop de muur. Het grote gebouw rechts, de Grote Synagoge van de Hoogduitse joodse gemeente, kon hij vanaf dat punt niet goed zien en heeft hij later toegevoegd. Het is ironie, dat het plein dat vernoemd is naar de beslissende nederlaag van Napoleon Bonaparte bij Waterloo, dit jaar 200 jaar geleden, vlak om de hoek ligt.