‘Kafka licht de mens door met een röntgenblik’

Deze Duitse schrijver voltooide zijn driedelige Kafka-biografie. Veel raadsels helderde hij op. ‘Kafka heeft zichzelf zijn grote afstandelijkheid altijd verweten. Hij kreeg er het gevoel door dat hij niet echt leefde’

Reiner Stach voor het huis in de Grunewaldtstraat 13 in Berlijn-Steglitz, waar Kafka in 1923/’24 met Dora Diamant woonde. Foto Gordon Welters

Achttien jaar heeft de Duitse schrijver Reiner Stach (1951) in zijn monumentale Kafkabiografie geïnvesteerd. Nu Kafka. Die frühen Jahre, het derde deel van zijn magnum opus is gepubliceerd, is zijn levenswerk voltooid. De schrijver heeft er met ijzeren discipline aan gewerkt. „Elke morgen zat ik om zeven uur achter mijn computer,” vertelt Stach in zijn ruime appartement in Berlijn-Charlottenburg. Hij is enorm opgelucht dat zijn mammoetproject is afgesloten. Niet alleen zijn werkkracht was in het geding, zijn onderneming was ook een wedren tegen de tijd. Het geld raakte op. „Ik moest het afmaken, anders had ik een lening moeten afsluiten,” vertelt de biograaf. Hij prijst zich gelukkig dat stichtingen en mecenassen hem al die tijd hebben gesteund: „Mijn werk was een fulltime bezigheid. Het vergde mijn uiterste concentratie. Ik kon onmogelijk nog een ander beroep uitoefenen.”

Kafka. Die frühen Jahre bestrijkt de periode van Kafka’s geboorte in 1883 tot 1910, het jaar waarin de 27-jarige verzekeringsbediende besloot om zijn leven aan het schrijverschap te wijden. Over die vroege jaren weten we het minst. Stach heeft die periode het laatst behandeld, omdat hij al die tijd hoopte toegang te krijgen tot de literaire nalatenschap van Max Brod, de joodse schrijver met wie Kafka in 1902 in Praag vriendschap had gesloten. Daarin is Stach slechts gedeeltelijk geslaagd. Zolang de gecompliceerde juridische strijd over de eigendomsrechten van Brods archief niet is uitgewoed, blijven de dagboeken en de correspondentie van Kafka’s vriend zo goed als ontoegankelijk.

Moet uw Kafka-biografie worden herzien als het Brod-archief ooit geopend wordt?

„Veronderstel dat Brods nalatenschap over vijf jaar toegankelijk wordt gemaakt. Natuurlijk zal ik dan het eventueel nieuwe materiaal toetsen aan alle passages waarin ik Brod als getuige oproep. Maar ik heb voldoende zicht op de zaak om er zeker van te zijn dat ik mijn biografie ook dan niet zal hoeven te herschrijven.”

Kon u nog andere bronnen niet raadplegen?

„Ik had graag de dagboeken van Kafka’s vriend Felix Weltsch ingekeken. Die worden bewaard in de nationale bibliotheek van Jeruzalem. Ze zijn wel toegankelijk, maar onleesbaar, omdat ze geschreven zijn in Gabelsberger stenografie, een snelschrift dat alleen nog door experts kan worden gelezen. Als ik Weltsch’ dagboeken had willen gebruiken, had ik voor de ontcijfering ervan handenvol geld moeten uitgeven. Weltsch schreef zijn notities in steno omdat hij wilde voorkomen dat zijn vrouw ze zou lezen. Zijn dagboeken gaan immers vooral over zijn miserabele huwelijk. Kafka’s vrienden waren allemaal ongelukkig getrouwd, wat zijn problematische kijk op het huwelijk sterk beïnvloedde. Ook Max Brod had een slecht huwelijk. Zijn vrouw, Elsa Taussig, leed zozeer onder zijn ontrouw dat ze op een bepaald moment zelfmoord wilde plegen. Geen wonder dat Kafka gekweld werd door de vraag of het huwelijk wel met het schrijverschap verzoenbaar was.”

Net als Brod vertoefde ook Kafka geregeld in de Praagse bordelen.

„Maar in tegenstelling tot een ‘professionele’ bordeelbezoeker als Brod werd Kafka vaak ongelukkig verliefd op zo’n ‘licht’ meisje. Daarnaast mogen we niet vergeten dat Kafka ook bevredigende erotische ontmoetingen met andere vrouwen had. Maar in die gelukkige perioden stokte zijn pen, misschien uit de bijgelovige opvatting dat je het geluk niet mag uitdagen door het rond te bazuinen.”

Maar Kafka’s relatie tot vrouwen bleef een heikel punt.

„Kafka’s ouders waren maar zelden thuis. Zijn moeder, Julie, moest meehelpen in de galanterieënzaak die haar echtgenoot Hermann Kafka exploiteerde. De kleine Franz werd overdag opgevoed door kindermeisjes, die van de ene dag op de andere op straat konden worden gezet, bijvoorbeeld omdat Hermann Kafka ze in een kwade bui ontsloeg of omdat ze betrapt werden op een al te innige omhelzing met een mannelijke hulp in huis. Die emotionele breuken in Kafka’s kindertijd hebben mede geleid tot een onherstelbaar gebrek aan Weltvertrauen, wat zich later in zijn moeilijke relaties met vrouwen manifesteerde. Kafka hield er rekening mee dat hij op ieder moment en zonder opgave van reden verlaten kon worden. Het uitblijven van een brief, een afwijzende blik konden leiden tot de panische zekerheid dat hij het verkorven had.”

U schrijft dat Kafka’s unieke observatievermogen in zijn kinderjaren wortelde en dat de onberekenbaarheid van zijn vader daarin een doorslaggevende rol speelde?

„Vader Hermann was een humeurig, wantrouwig en opvliegend type, een chef die op het werk zijn personeel tot zijn ‘bezoldigde vijanden’ rekende en thuis een tiranniek gezinshoofd was. De kleine Franz ontwikkelde al vroeg een speciaal zintuig voor de dreiging die van zijn vader uitging. Hij observeerde zijn vader nauwgezet om te kunnen anticiperen op diens gedrag. Sloot vader de deuren hard of zacht? Wat kon je uit zijn stemvolume afleiden? Waren zijn trekken rustig of was zijn gezicht een donderwolk? Op een nacht wordt de kleine Franz, die in zijn bedje om een slok water zeurt, door zijn vader buiten de deur gezet. In zijn beroemde en beruchte Brief an den Vater (1919) herinnert Franz aan die traumatiserende gebeurtenis, die hem het gevoel gaf dat hij voor de machtige instantie die zijn vader was ‘een niets’ was.”

Maar u bent ervan overtuigd dat de kleine Franz nooit door zijn vader geslagen werd?

„Dat zou Hermanns vrouw nooit getolereerd hebben. Maar Hermann, die agressief en dominant was, heeft wel voortdurend met dat slaan gedreigd. Geregeld maakte hij schreeuwend en met een rood hoofd zijn bretellen los en trof hij alle voorbereidingen om erop los te meppen. Maar hij ging nooit tot actie over. Franz heeft niet overdreven in het harde portret dat hij in zijn Brief an den Vater van vader Hermann tekent. Ik heb ongepubliceerde brieven ontdekt waarin familieleden van de Kafka’s zich onder elkaar vrolijk maken over het kolerieke temperament van Hermann Kafka.”

Al die omstandigheden maken echter van een mens nog geen uitzonderlijk schrijver zoals Kafka er een was. Zal zijn genie voor altijd een raadsel blijven?

„Kafka kan een mens in drie zinnen typeren, zodat je hem meteen voor ogen hebt. Dat is fantastisch. Je hebt het gevoel dat hij mens en wereld met een röntgenblik doorlicht. Hij kan geestdriftig zijn, zijn enthousiasme voor het leven in sanatoria en voor de natuurgeneeskunde is niet geveinsd, maar tegelijk is hij altijd afstandelijk. Dat zijn enthousiasme werd afgeremd door zijn sceptische en relativerende blik maakte hem natuurlijk niet gelukkig. Hij heeft zichzelf zijn grote afstandelijkheid altijd verweten. Hij kreeg er het gevoel door dat hij niet echt leefde.”

Was het voor u als biograaf van Kafka én als bewonderaar van zijn werk niet moeilijk om zelf voldoende afstandelijkheid tot uw onderwerp te bewaren?

„Ik heb van Kafka’s vermogen tot afstandelijkheid geleerd. Ik was zevenentwintig jaar toen ik zijn dagboeken begon te lezen. Zijn formuleringskunst, zijn trefzekerheid en zijn waarachtigheid maakten een verpletterende indruk op me. Ik studeerde destijds wiskunde in Frankfurt. Ik gaf die richting op, begon literatuurwetenschap te studeren en promoveerde in 1985 op Kafka. Maar destijds ontbrak het me inderdaad aan voldoende afstandelijkheid tot mijn onderwerp. Ik was werkelijk een Kafka-fan. Pas nadat ik zelf voldoende distantie tegenover zijn leven en werk gewonnen had, kon ik over zijn leven schrijven. Omdat ik literaire ambities had, maar me niet in staat voelde zelf fictie te schrijven, wilde ik dat mijn Kafka-biografie gelezen kon worden als een goed geschreven roman.”

Wat is het dan wat u in het werk van Franz Kafka is blijven boeien? Is er nog niet genoeg over hem gepubliceerd?

„De hoeveelheid secundaire literatuur over Kafka’s werk is enorm, maar er zijn slechts weinig serieus te nemen biografieën. Max Brod heeft een biografie geschreven waarin Kafka als een heilige wordt opgevoerd. Maar Brod heeft nooit begrepen waar het Kafka werkelijk om ging.”

Waar gaat het dan werkelijk om volgens u?

„Het klopt weliswaar dat Kafka motieven en religieuze modellen uit de joodse traditie in zijn werk gebruikt, bijvoorbeeld de idee dat de wereld hiërarchisch geordend is en dat de top van die hiërarchie voor ons onzichtbaar is. Maar Kafka wilde nergens een spirituele inhoud uitdrukken. Er is geen ‘subtekst’. Er zit geen verborgen boodschap in zijn werk. Als je naar zo’n verborgen betekenis begint te zoeken, bestaat het gevaar dat je de unieke taal van Kafka uit het oog verliest. Als ik me de schrijvende Kafka voor de geest haal, dan zie ik een schrijver die de poorten naar zijn innerlijk geopend heeft, alsof hij een meditatieoefening doet. De beelden, de associaties die in zijn bewustzijn stromen, filtert hij in een razend tempo om de overvloed te beperken tot een esthetisch verantwoorde keuze. Ik noem zijn schrijven een vorm van gecontroleerd dagdromen. Kafka heeft proza geschreven zoals dichters poëzie maken. Hij luisterde met een enorme intensiteit naar afzonderlijke woorden en maakte een beheerst gebruik van de associaties die ze opriepen. We mogen ons Kafka zeker niet voorstellen als een schrijver die aan zijn schrijftafel gaat zitten met het voornemen: ‘Zo, nu schrijf ik eens een roman over schuld en schuldgevoel’.”

Uw biografie van de jonge Kafka is ook een portret van Praag. Om de mentaliteit van de stad te doorgronden, putte u uit goudmijnen zoals de gedigitaliseerde kranten Neue Freie Presse (Wenen) en het Prager Tagblatt?

„Ik las niet alleen commentaren en reportages, maar ook huwelijksaankondigingen en advertenties die door het destijds positief gekleurde modewoordje ‘nieuw, nieuw, nieuw’ werden beheerst. Ik depouilleerde vrouwen- en lerarenkranten, nam automagazines door, doorploegde pamfletten en soldatenkranten. Doorgaans wordt het tijdperk van 1900 gepresenteerd als vreedzaam en stabiel. Dat komt doordat heel wat getuigenissen over die tijd na de Grote Oorlog geschreven zijn. Vergeleken met de chaos van de Eerste Wereldoorlog leek de Belle Epoque een oase van rust. Maar dat is optisch bedrog. Neurasthenie en nervositeit zijn sleutelwoorden die de sfeer van dat tijdperk veel raker typeren. De mensen waren hypernerveus. Ze hadden daar ook alle reden toe, want het tempo van het leven werd enorm opgedreven.”