Inspectie: scholen kunnen meer doen om zittenblijven te voorkomen

Foto ANP / Ilvy Njiokiktjien

Scholen zouden meer kunnen doen om het aantal zittenblijvers te verminderen of om zittenblijvers te voorkomen, concludeert de Inspectie van het Onderwijs in een vandaag verschenen rapport over het voortgezet onderwijs (onder). Het aantal zittenblijvers in Nederland ligt op 5,8 procent. Dat is hoog in vergelijking met andere landen, schrijft de Inspectie.

Uit het rapport blijkt dat scholen de zittenblijvende leerlingen te weinig maatwerk kunnen bieden. Zo’n 40 procent van de scholen verzorgt een speciaal aanbod voor de betreffende leerlingen, maar 84 procent realiseert zich dat er meer maatwerk en leerlingbegeleiding nodig is.

twijfel over nut van doubleren

Bijna de helft van de scholen betwijfelt het nut van zittenblijven, omdat het lesaanbod niet wordt aangepast voor de leerlingen die doubleren. Van alle leerlingen die in de derde klas blijven zitten, haalt minder dan de helft het examen op het onderwijsniveau waarop hij of zij begonnen is.

Verder concludeert de Inspectie dat in de onderbouw minder leerlingen blijven zitten dan in de bovenbouw. Het hoogste percentage zittenblijvers (12 procent) zit in de vierde klas van de havo. Ook blijken niet-westerse leerlingen en leerlingen uit een apc-gebied (een gebied waarin veel mensen met lage inkomens wonen) vaker te doubleren, blijven in grote steden meer leerlingen zitten en doubleren jongens vaker dan meisjes.

Bekijk hieronder het hele rapport van de Inspectie van het Onderwijs.

kosten zittenblijven basis- en primair onderwijs

Kinderen die blijven zitten in het primair én het voortgezet onderwijs kosten de staat zo’n 500 miljoen euro per jaar, berekende het Centraal Planbureau in januari. Dat is 3 procent van de uitgaven aan het basis- en voortgezet onderwijs. Bijna de helft van alle leerlingen in het onderwijs doet minimaal één jaar over. En bij de meeste scholieren gebeurt dat aan het begin van de basisschool en in het jaar vóór het eindexamen.