Ik zag twee beren hutspot koken

Honderd uur nacht van Anna Woltz kan straks drie prijzen winnen voor het beste kinderboek. Heeft Woltz een gouden ei gelegd, of is er meer aan de hand in de hoogste regionen van de kwaliteitsjeugdboeken?

De Duik

Wat is het beste kinderboek van het afgelopen jaar? Afgaande op de aandacht voor het boek: Honderd uur nacht van Anna Woltz. Het kreeg overal lovende kritieken, was favoriet bij het DWDD-panel en werd een verkoopsucces. En Woltz werd ook nog genomineerd voor alle prijzen waarnaar ze meedong. Haar jeugdroman gaat over de 14-jarige Emilia, die uit Nederland vlucht nadat een Twitterstorm haar vader heeft getroffen. Zelf komt ze in New York ook in een storm terecht: de orkaan Sandy. Ze overleeft er met de hulp van drie jonge Amerikanen van wie ze gaat houden, en de lezer ook.

Drie jeugdboekenprijzen kan Honderd uur nacht de komende dagen winnen: morgen de Woutertje Pieterse Prijs voor het beste literaire kinderboek, en woensdag de Gouden Lijst, een juryprijs voor boeken voor 12- tot 15-jarigen, en de Prijs van de Jonge Jury, een publieksprijs. Maar niemand slaat ooit een drieslag. De winst van één juryprijs én de meeste stemmen van de publieksjury zou een unicum in de jeugdliteratuur zijn. Sterker nog: de dubbele nominatie is dat al.

Want wat telt als goed? Volwassenen, zo heet het al jaren, vinden andere jeugdboeken goed dan kinderen. Kinderen willen humor en spanning, volwassenen wensen mooie zinnen, goede stijl en originaliteit – zo vatte schrijver Edward van de Vendel het samen in zijn Woutertje Pieterse-lezing van 2012.

Het zwaartepunt van je oordeel hangt samen met wat je verwacht van een kinderboek – in de nieuwe jeugdliteratuurgeschiedenis Een land van waan en wijs onderscheiden de auteurs drie functies van jeugdliteratuur: een opvoedende, verstrooiende en een literaire. Jeugdliteratuur is ooit ‘ontstaan vanuit een pedagogische zorg om een zedelijke of religieuze les in aantrekkelijke vorm aan kinderen aan te bieden, maar gaandeweg kregen opvoeders oog voor het belang van leesplezier en ontspanning’, schrijven ze. En een eeuw geleden werd ‘de literaire en artistieke kwaliteit op de voorgrond’ geplaatst.

Die drie functies bepalen nog steeds de beoordeling. Het publiek kiest voor het fijnste boek. Een vakjury kiest voor het literairste boek – en leesbevorderaars zullen wellicht kiezen voor het ‘waardevolste’ boek voor de ontwikkeling van een kind. Tot nog toe vielen die keuzes nooit op één en hetzelfde boek. ‘ ‘‘Grootbrengen door kleinhouden” concurreert nog steeds met het geloof dat ook kinderen kunnen leren én genieten van een creatief literair boek’, besluit de inleiding van de jeugdliteratuurgeschiedenis, om vervolgens alleen zijdelings op die kwestie terug te komen. Terwijl die bepalend is voor de huidige stand van de jeugdliteratuur.

Samenspel

Zoals blijkt uit de driedubbele nominatie – bij de literaire jury, bij de jury die het beste boek voor pubers kiest én bij de jongeren zelf – schreef Woltz het type boek waar het Van de Vendel om te doen was in zijn lezing: een boek dat voldeed aan alle verwachtingen die je kunt hebben van jeugdliteratuur. Favoriet van volwassenen én kinderen. Het boek is spannend (die orkaan) en grappig (die drie jonge Amerikanen), origineel en typisch Woltz, en leert ons iets over opgroeien, in het bijzonder in het digitale tijdperk.

Heeft Woltz dan een gouden ei gelegd, of is er meer aan de hand in de hoogste regionen van de kwaliteitsjeugdboeken? Wat vertellen de nominaties van de Woutertje Pieterse Prijs ons? Ja, de jury heeft oog voor het samenspel van tekst en illustraties – in de genomineerde boeken (exclusief dat van Woltz) zijn beeld en tekst onlosmakelijk verbonden en versterken elkaar. Maar dat is van oudsher een speerpunt van de prijs.

En zo zit er ook weer een ‘klassiek-literair’ boek tussen de genomineerden: De gans en zijn broer van Bart Moeyaert. Die bundelde zijn verhalen over twee ganzen die, antropomorf als ze zijn, thuis hutspotjes koken, kaartspelletjes spelen en vooral wijsgerig prakkiseren. Het lijkt een licht ironische variatie op de filosofische dierenverhalen van Toon Tellegen – en net als bij Tellegen kun je je afvragen of deze literatuur niet over de hoofden van kinderen heen gaat. Moeyaert is allang opgehouden zich dat af te vragen. Die bekommert zich louter om de literatuur.

Lief

De overige boeken zijn merkbaar niet óf literair óf voor kinderen. Deze boeken slaan de drieslag, hier heerst een én-én-én-mentaliteit. Het is een vanzelfsprekendheid voor versjesdichter Bette Westera, die steevast een lichte toon aanslaat om toch een serieus akkoord te laten klinken. In de bundel Doodgewoon dicht ze licht over de dood – van een huisdier, een opa, een vader, een te vroeg geboren kind. Soms pijnlijk, soms om te lachen: zo maakt Westera een serieus onderwerp toegankelijk en bespreekbaar. Daardoor én door de artistieke krachttoer van Sylvia Weve zou de jury voor Doodgewoon kunnen kiezen, al schort er iets aan het literaire aspect. Net te vaak komen Westera’s versjes niet verder dan een enkel idee, waardoor ze te bedacht klinken en platslaan.

Wel op alle terreinen geslaagd is het prentenboek Soms laat ik je even achter van schrijver en illustrator Daan Remmerts de Vries, over een klein meisje dat speelt dat ze haar knuffelbeer eenzaam achterlaat. ‘Alles voelt dan of het leeg is… En mijn beer, die mist me.’ Het verhaal schuurt een beetje en de tekeningen zijn in Remmerts de Vries-stijl: een bos in hallucinante kleuren, opgetrokken uit behangpapierpatronen en aquarel. Het is een artistieke prestatie, maar geen ontoegankelijke, want de figuren zijn eenvoudig en knuffelbaar. Een kind zou zeggen: lief. Verhaal en beeld slagen er daarom in samen een even vertederend als oorspronkelijk als waardevol verhaal te vertellen. En nogmaals: dat samenspel is een speerpunt van de prijs.

Het jeugdboek De duik van Sjoerd Kuyper is ook een geduchte concurrent voor de prijs: het boek is een en al én-én-én-mentaliteit. Hij vertelt het verhaal, van de Antilliaanse Roly en Mila die van elkaar gescheiden raken en dat al tijdreizend moeten oplossen, in een wilde keur van registers. Het verhaal is soms een dagboek, soms een ballade, een graphic novel, een brief, één keer zelfs een mop. Mede dankzij de al even eclectische illustraties van Sanne te Loo lukt het De duik om boven het realisme uit te stijgen: precies wat het verhaal over verbeelding goed kan gebruiken.

Kuyper mag morgen de winnaar zijn, en dan kan Woltz woensdag tweemaal winnen. Omdat een drieslag nu eenmaal heel onwaarschijnlijk zou zijn. Maar én-én-én – het is mogelijk.