Film Timbuktu biedt echte inkijk in de jihad

De gijzeling begon in Timboektoe, historisch stadje aan de zuidrand van de Sahara. Daar werden Sjaak Rijke en twee andere buitenlandse toeristen in november 2011 gegijzeld. Het was de periode waarin – na de val van Gadaffi in Libië aan de noordkant van de woestijn – wapens en strijders de Sahel begonnen te infiltreren. In de zomer van 2012 veroverden jihadstrijders Timboektoe en voerden er de sharia in. Van de vijftigduizend inwoners vluchtte tweederde; ook zij voelden zich gegijzeld.

Begin 2013 werd de stad weer bevrijd – door het Franse leger en Malinese regeringstroepen. Sinds een jaar neemt Nederland met vijfhonderd man deel aan de VN-missie in het gebied. Detail: deze deelname stond ook op het persbericht waarmee het Franse ministerie van Defensie afgelopen maandag Rijkes bevrijding bekend maakte.

Was er meer coördinatie tussen Parijs en Den Haag dan zichtbaar werd? Zelfs als de actie een toevalstreffer was: voor Franse burgers is het motiverend dat als hun soldaten hun leven riskeren om een buitenlander te bevrijden, diens land ook meedoet met opoffering en gevaar. Veiligheid, een prettig consumptiegoed, moet ook worden geproduceerd.

Over de maanden waarin Al-Qaeda er heerste gaat de schitterende speelfilm Timbuktu, Oscar-genomineerd en nu ook in Nederland te zien. Het is een meesterwerk. In anderhalf uur los-vast verbonden scènes biedt regisseur Abderrahmane Sissako (uit Mali’s buurland Mauritanië en zelf moslim) een dieper inkijkje in het jihadisme dan welk krantenstuk of welke tv-reportage ook.

De terroristen denderen Timboektoe met motoren en jeeps binnen. Ze vestigen hun gezag per kalasjnikov en megafoon: geen sigaretten, zo schalt het, geen muziek, geen gehang op straat, volledige sluiers voor vrouwen. Een visverkoopster die weigert handschoenen te dragen nemen ze mee. Muziek, binnenshuis gemaakt, kringelt naar buiten en biedt de islampolitie een spoor naar de misdaad, met veertig stokslagen bestraft. Een ongehuwd koppel wordt uit naam van de sharia dood gestenigd. (Een waargebeurd fait divers.) Maar er is meer. Jihadisten die een moskee binnenstormen worden door de imam theologisch afgebluft. Hun leider rookt stiekem zelf. Soldaten van Allah bespreken met passie het spel van Zidane en Messi. Ontroerend is de scène waarin een groep jongens voetbalt zonder bal – de passes, de redding, een goal, het gejuich – hun lichaam speelt door. Hilarisch is ook de zwarte rapper die bij de opname van een propagandavideo zijn oude leven zo stuntelig afzweert dat de terrorist-cameraman ingrijpt met „hou je hoofd stil; we doen hier geen Yo Man, dit is godsdienst”.

Wat vinden we het lastig dat menselijkheid en terreur zo dicht bij elkaar liggen, dat een jihadist zijn gijzelaar het ene moment thee inschenkt en hem het volgende executeert, dat een scholier uit Spijkenisse of Saint-Denis de bus naar Syrië pakt of, vorige versie van deze verwarring, dat de nazibeul prachtig piano speelt. Dus houden we het liever simpel: goed en kwaad, hier en daar, wij en zij. Individuele grensoverschrijdingen worden sprakeloos begroet of als gekte afgedaan, zodat wijzelf normaal blijven. Het knappe van Timbuktu is dat de regisseur de complexiteit van het mens-zijn onderkent en toch feilloos toont wie aan de kant van het leven staat, wie aan de kant van de dood. Sissako in Le Soir: „De extremisten kunnen de hoofdpersoon vermoorden, maar nooit de schoonheid van de liefde voor zijn dochter. Ze kunnen het voetballen verbieden, maar het verzet zit in de verbeelding van de jochies die spelen met een onzichtbare bal. De obscurantisten kunnen verbieden te zingen, maar verzet is: zingen in je hoofd. Die schoonheid zal uiteindelijk zegevieren.”