Europa, kies toch eens

De economische crisis in Europa duurt langer dan elders in de wereld. De Turkse econoom Dani Rodrik verklaart hoe dit komt. ‘De Europese leiders weigeren een fundamentele keuze te maken.’

illustratie hajo

Europa zit in een economische dip die akelige politieke gevolgen begint te krijgen. Het begon met de hypotheekmarkt in de VS, maar de duur en de omvang van de problemen zijn volledig aan Europa zelf te wijten. Zelfs als de euro overeind blijft, zal de crisis ingrijpende gevolgen hebben.

De malaise is een uiting van wat ik ‘het politieke trilemma van de wereldeconomie’ noem: economische globalisering, politieke democratie en de natiestaat zijn uiteindelijk niet met elkaar te verzoenen.

Hooguit twee van deze drie elementen kunnen samengaan. Democratie valt alleen te verenigen met nationale soevereiniteit als we paal en perk stellen aan de globalisering. Als we mikken op globalisering en ook de natiestaat willen behouden, moeten we de democratie laten varen. En als we democratie plus globalisering willen, moeten we de natiestaat opdoeken en streven naar meer internationaal bestuur.

Wanverhouding

De eurozone toont hoe dit trilemma werkt. De economische en politieke problemen zijn te wijten aan het feit dat de financiële integratie verder is gevorderd dan de politieke. Democratisch bestuur en economische ontwikkeling lijden onder deze wanverhouding. Om de democratie te redden, is ofwel méér politieke integratie nodig, ofwel minder economische samenwerking. Maar de Europese leiders weigeren hier een fundamentele keuze te maken.

Griekenland, Ierland en Portugal zouden zogenaamd baat hebben bij één Europese munt, één kapitaalmarkt en vrijhandel met de EU-lidstaten. Maar hun economieën zijn niet bestand tegen de druk van de rijkere lidstaten. Hun burgers ontvangen geen ondersteunende uitkeringen uit Brussel, zoals Californiërs uit Washington. Gezien de taal- en cultuurbarrières kunnen werkloze Grieken en Spanjaarden niet makkelijk aan het werk in een welvarender Europees land. Als de Europese kapitaalmarkt de Griekse en Spaanse overheden niet kredietwaardig vindt, verliezen burgers en bedrijven hun vertrouwen in de banken uit die landen.

Hier tegenover staan de Franse en Duitse overheden die van hun kant weinig hebben in te brengen in het Griekse begrotingsbeleid. Ze hebben niet kunnen beletten dat de Griekse regering te lang en te veel geld heeft kunnen lenen. Blijft Griekenland nu in gebreke bij de aflossing hiervan, dan kunnen Parijs en Berlijn de claims van hun banken op Griekse schuldenaren amper kracht bijzetten. Ze kunnen Griekenland ook niet tegenhouden als het uit de euro wil stappen.

Dieper en dieper

Zo werd de Europese crisis dieper en dieper. Met tegenzin kwamen Frankrijk en Duitsland over de brug met financiële hulp, maar pas toen het IMF zich aan hun zijde schaarde. De Europese Centrale Bank (ECB) verlaagde de drempel van kredietwaardigheid voor Griekse staatsleningen, zodat de geldkraan voor Athene niet dichtging. De Fransen en Duitsers pleiten nu voor een sterker economisch bestuur in de EU, maar dat is alleen mogelijk als men bereid is tot een hechtere politieke unie.

In ruil voor financiële steun heeft met name Duitsland nu, samen met Nederland en Finland, de zwakke landen onder druk gezet om zwaar te bezuinigen op hun overheidsuitgaven om zo de economische groei weer op gang te krijgen. Maar economisch gezien is dat helemaal geen verstandig beleid. Waar moet de groei dan vandaan komen?

Al vanaf het begin van de crisis heeft de ‘trojka’ (van Europese Commissie, Europese Bank en IMF) ‘structurele hervormingen’ geëist als voorwaarde voor hulp. Griekenland, Spanje en de andere landen kregen te horen dat zulke hervormingen nodig zijn om de productiviteit en het concurrentievermogen aan te zwengelen.

Inmiddels weten we dat deze structurele hervormingen in Griekenland niet het beoogde effect hebben gehad. De oorzaken liggen deels in politieke obstakels en deels in een te rooskleurige verwachting van de groeikracht in Griekenland voor de korte termijn. In Spanje heeft ingrijpende hervorming van de arbeidsmarkt evenmin de verwachte resultaten opgeleverd.

Economische groei voltrekt zich langs twee sporen. Als eerste stoten improductieve sectoren hun arbeidskrachten af. Vervolgens nemen productieve sectoren meer mensen in dienst. Als de totale vraagzijde van de economie onder de maat is, zoals in de landen aan de periferie van de EU het geval is, dan werkt dit tweede spoor nauwelijks. Begrijpelijk: je kunt de regels voor ontslag wel versoepelen en stimulerende maatregelen nemen voor nieuwe bedrijven, maar daarmee bereik je nog niet dat meer mensen werk vinden zolang bestaande bedrijven nog altijd overcapaciteit hebben. Dan krijg je per saldo alleen het eerste effect en dus méér werkloosheid. Ingrijpende hervormingen – hoe wenselijk die ook zijn voor de langere termijn – zijn voor deze landen simpelweg geen remedie om de groei op korte termijn op gang te brengen.

Beter dan ‘pappen en nathouden’

Hoe kan het anders? De meest drastische aanpak is: schulden afschrijven en overheidssteun geven aan banken die hierdoor in de problemen zouden komen. Dat lijkt extreem. Maar de realiteit is dat een groot deel van de huidige schuld sowieso niet wordt afbetaald zonder meer financiële steun voor Griekenland. Ook het IMF erkent inmiddels dat onmiddellijke sanering van de Griekse schuldenlast misschien beter was geweest dan ‘pappen en nathouden’.

Door de schuld te verlagen, maak je weliswaar de weg vrij voor groei van de economie, maar breng je die nog niet actief op gang. Er moet ook een nieuw evenwicht van bestedingen binnen de eurozone worden bereikt. De handel tussen de rijke en armere landen moet groeien, om op deze manier de vraag in de hele eurozone aan te wakkeren en uitgaven te stimuleren van de schuldeisende landen, met name van Duitsland. Er zijn sociale voorzieningen nodig om de lonen in de private sector van de zwakkere economieën geleidelijk te verlagen. De Europese Bank moet de inflatie enigszins aanwakkeren om weer beweging te krijgen in de internationale markten.

Voor deze maatregelen is het nodig dat Duitsland deze hogere inflatie en de bankverliezen accepteert. Maar dan zullen de Duitsers (en andere schuldeisers) zich moeten kunnen vinden in een andere visie op de economische malaise. Ze moeten de crisis niet voorstellen als een mentaliteitskwestie, van luie, spilzieke zuiderlingen tegenover nijvere, spaarzame noorderlingen. Het is een crisis in de onderlinge afhankelijkheid van een economische unie die nog geen politieke unie is.

Duitse strengheid op louter financieel terrein is geen veilige koers. Op den duur zullen de EU-landen gelijkwaardiger moeten zijn om onder hetzelfde dak te kunnen wonen. De economische crisis laat zien hoe hoog de eisen zijn die globalisering stelt aan de politieke besluitvorming. De EU staat voor de keus: ofwel meer politieke integratie, ofwel minder en langzamere economische ontwikkeling.