De onaantastbare hemelen werden tastbaar

Een kijker die het zicht hooguit drie keer kon vergroten, ontwikkelde zich in 1610 tot een die alles dertig keer kon vergroten. Een ontwikkeling die de blik op de hemelbol voor altijd in gruzelementen sloeg.

Telescoop (1730) uit de collectie van het Fries Scheepvaart Museum

De ontstaansgeschiedenis van de telescoop is een misdaadverhaal dat in 1608 in Zeeland begint met de uitvinding van een eenvoudig optisch instrument waarmee ververwijderde dingen dichterbij kunnen worden gehaald. Het eindigt drie jaar later in Rome waar de jezuïeten van het Collegio Romano de waarnemingen met de ‘Hollandse kijker’, die Galileo Galileï in 1610 in zijn Sidereus Nuncius (Sterrenbode) had gepubliceerd, als gegrond maar onjuist geïnterpreteerd verklaren.

Althans zo wordt het verhaal verteld in Galileo’s Telescope een studie van de Italiaanse wetenschapshistorici Massimo Bucciantini, Michele Camerota en Franco Giudice. Eind september 1608 ging de Middelburgse lenzenslijper en brillenmaker Hans Lippershey op audiëntie bij stadhouder en opperbevelhebber prins Maurits van Nassau, om hem zijn nieuwe uitvinding te demonstreren. Van dat bezoek is door een anonieme chroniqueur een verslag gemaakt, waarin staat dat met dat instrument vanaf een toren in Den Haag duidelijk de klok van Delft en de kerkramen in Leiden waren te zien, hoewel deze steden over de weg respectievelijk anderhalf en drieënhalf uur verwijderd lagen. Men begreep onmiddellijk het grote militaire belang van de uitvinding, omdat met deze kijker de troepenbewegingen van de vijand in de gaten konden worden gehouden.

Hoewel er al eeuwenlang hol- en bolgeslepen brillenglazen werden gemaakt om oogafwijkingen te corrigeren, was het bijzondere van Lippersheys uitvinding dat hij twee verschillende glazen aan de uiteinden van een holle buis had gemonteerd waarmee hij toevallig het vergrotende effect ontdekte. Van een optische theorie waaruit dat zou kunnen worden afgeleid was nog geen sprake. En hoewel Lippershey niet als enige op dat idee was gekomen, probeerde hij er wel als eerste patent op te krijgen.

Het nieuws van de spectaculaire uitvinding verspreidde zich snel over heel Europa en bereikte negen maanden later Galileï, die als vaardige lenzenslijper de kijker van Lippershey, die hooguit drie keer kon vergroten, verder ontwikkelde tot een telescoop die uiteindelijk dertig keer kon vergroten. Galileï richtte de Hollandse kijker als één van de eersten op de hemel. Met de dingen die hij toen zag werd de hemelbol, zoals die eeuwenlang onveranderlijk was waargenomen, voorgoed in gruzelementen geslagen.

Eind 1609 keek Galileï met zijn telescoop naar de maan en zag geen glad oppervlak maar ‘net zulke bergen en dalen als op de aarde’. In januari 1610 ontdekte hij de vier manen van Jupiter, waarvan hij een eerste schetsje maakte op een envelop die binnen zijn handbereik lag terwijl hij achter zijn telescoop zat. Later volgden nog het oplossen van de vage Melkweg in talloze losse sterren, de met de maan vergelijkbare fasen van de planeet Venus, de onregelmatigheden in de vorm van Saturnus en de zonnevlekken. Het waren alles bij elkaar overtuigende bewijzen dat niet de aarde maar de zon in het centrum van een oneindig uitgebreide ruimte stond.

Men hield het hart vast voor alle daarop volgende ontdekkingen, omdat niet alleen de astronomie, maar het hele maatschappelijke en religieuze bestel overhoop werd gehaald. Daarom kreeg Galileï niet alleen roem, maar ook veel tegenstand van hen die hoopten dat hij het bij het verkeerde eind had. De telescoop zou niet de werkelijkheid maar slechts optische illusies tonen, zodat Galileï alleen maar wanorde aanbracht in ‘de onaantastbare hemelen waar engelenscharen volmaakt gelukkig in Gods aangezicht verblijven.’

Eerst kreeg Galileï te horen dat de jezuïeten die ontdekkingen zelf al hadden gedaan, maar dat ze twijfelden aan de interpretatie van zijn waarnemingen, omdat daar ook andere verklaringen dan het heliocentrisme voor bestonden. De Kerk zou best met zijn waarnemingen kunnen leven als hij maar accepteerde dat het slechts om een theoretisch model en niet om de waarheid ging en dat de Bijbel uiteindelijk gelijk had als het aankwam op de interpretatie van natuurverschijnselen. Maar toen Galileï niet wilde wijken werd de Sidereus Nuncius zes jaar na verschijnen door de Roomse Congregatie op de lijst voor verboden boeken geplaatst en kreeg hij levenslang huisarrest, waarvoor de paus pas in 1992 excuses aanbood.

Galileï’s rol bij de overgang van het geocentrische naar het heliocentrische wereldbeeld is al vaak beschreven, maar deze drie Italiaanse wetenschapshistorici hebben het in dit boek wel op een zeer grondige manier gedaan en het in een breed maatschappelijk perspectief geplaatst, geïllustreerd met veel fragmenten uit de brieven van Galileï en zijn correspondenten. Hun verhaal bewijst de beslissende rol van Nederlandse wetenschappers bij die revolutie, zeker als daarbij de uit dezelfde tijd stammende bijdrage aan de ontwikkeling van de microscoop wordt opgeteld, waarmee naast de macrokosmos ook de microkosmos voor onderzoek werd opengelegd.