De ene druk wordt uit de andere geboren

Een mooi boek belicht leven en werk van de Groningse kunstenaar Werkman die 70 jaar geleden stierf. ‘Abracadabra’ noemde men zijn druksels. Ze hangen vanaf morgen in het Groninger Museum.

H.N. Werkman, ca. 1950 Foto Uit besproken boek

H.N. Werkman had de pech dat hij in Groningen woonde. Geen slecht woord over stad en provincie, maar wie als kunstenaar naam wilde maken moest zuidwaarts trekken, naar Amsterdam, Brussel of Parijs. En niet blijven plakken in De Rode Hel, het honk waar de schilderkunstige Groningse voorhoede, de leden van het kunstenaarsgenootschap De Ploeg, samenzwoeren. Met dank aan Willem Sandberg zou Werkman uiteindelijk alle zuidelijke waardering krijgen die hem toekwam.

Het is zeventig jaar geleden dat Werkman stierf, vandaar dat een kleine maalstroom aan publicaties op gang is gekomen. Bovenaan het lijstje staat Werkman. Leven & werk, een bijzonder mooi verzorgd boek dat na lezing de illusie achterlaat nu alles wel zo’n beetje te weten over de drukker-schilder-schrijver. In korte, chronologische hoofdstukken, elk gestoffeerd met werken van Werkman en zijn Ploeg-maten, zetten twaalf deskundigen de vrije vakman ten voeten uit neer. ‘Het resultaat is naar mijn aard en niet naar een princiep’, schreef hij over zijn werk. Dit boek – met hier en daar een onvermijdelijke overlapping – is een gul bewijs van die eigenzinnigheid.

Werkman, zoon van een veearts, geboren in het plattelandse Leens, verloor al jong zijn vader. Verjaagd uit ‘het paradijs’ van zijn jeugd – even dacht hij het nog, net als Gauguin, op een Polynesisch eiland terug te kunnen vinden – kwam hij met zijn moeder en twee broers in Groningen, terecht. Op school profileerde hij zich als een eigenwijs jong dat halsstarrig alleen datgene leerde wat hem aanstond: Nederlands. Dat schoot niet op, vond zijn moeder. Dan maar een baan zoeken: van boekhandel-uitgeverij naar de journalistiek, en eenmaal getrouwd was het tijd om een eigen drukkerij te openen.

De zaak loopt goed, maar dan sterft zijn vrouw plotseling. Hij blijft achter met drie kleine kinderen die een moeder nodig hebben. Op aandringen van zijn tweede vrouw wordt hij in 1919 lid van kunstenaarsvereniging De Ploeg, die ‘een ontwakend kunstleven in ons Noorden’ moet ‘ontkiemen’. De club van Groningse schilders, architecten en literatoren, inspireert Werkman, en spoort hem aan om via tijdschriften, grensoverschrijdende verkenningen te doen, op zoek naar artistieke geestverwanten van de Groningers.

Eerste druksels

Begin jaren twintig rollen Werkmans eerste druksels van zijn handpers. De zakenman in hem maakt plaats voor de kunstenaar, een autodidact die met vrije vormen ongetwijfeld liever uitpakt dan met de typografie van een sportkrantje of geboortekaartje. Onbegrijpelijk – met de kennis van nu – dat men voor die eerste fijnzinnig gekleurde, abstracte composities niet meteen in de rij stond. Sterker nog, je zou met een uitvergroting van die vroege, dynamische druksels de complete zijwand van een eigentijdse flatgebouw willen sieren.

De typograaf Werkman goochelt er ook in tijdschriften en boekuitgaafjes constructivistisch op los met letters, cijfers, balken en punten. Alles is geoorloofd, dus waarom geen afdrukken maken van dingen die in de drukkerij rondslingeren: ‘de eene druk wordt uit de andere geboren’, schrijft Werkman.

Als schilder, tekenaar en etser blijft Werkman enigszins onbeholpen, maar dat frustreert hem volstrekt niet. Een of twee krabbels volstaan om het ontwerp voor een druksel neer te zetten, hij voer blind op zijn intuïtie. En naarmate de tijd verstreek kwam het met dat schilderen ook wel goed; een ontroerend primitivisme waarvan de warme kleuren soms aan Gauguins ‘verbanningsoord’ doen denken.

Voor een van de eerste Amsterdamse tentoonstellingen van de Groningse kunstenaarsbent, in 1926, hebben recensenten overigens geen goed woord over. In Werkmans druksels ‘behaalde de Fransche revolutie nog een late overwinning: alle letters werden gelijk, alle hoofdletters onthoofd’, aldus De Telegraaf. Reden voor de veelal expressionistische Ploegers, die Werkmans druksels ook nauwelijks serieus namen, om weer aan de weg te timmeren: ‘Het aanknoopen van relaties met bevriende moogendheden’ is de leus.

Werkman netwerkt voort, hij komt in contact met kunstenaar en kunstpromotor Michel Seuphor, met architect/ontwerper Piet Zwart en grafisch ontwerper Jan Tschichold, maar de grote sprong voorwaarts laat op zich wachten. Intussen schudt hij zijn tweede huwelijk af ‘als een natte poedel’, en ontmoet hij zijn derde echtgenote.

Die liefde geeft hem energie. Gretig buigt hij zich over nieuwe periodieken en lustrumtentoonstellingen van De Ploeg. Aan de ‘genieëntafel’ van Bodega Dik ventileert hij verse plannen, schrijft manifesten en pamfletten en waagt zich aan een Delfts blauwe-borden-tekst als ‘jong geplaagd en veel gesard/ later machtig en gehard’, die in dat onschuldige Groningen niet anders dan ironisch bedoeld moet zijn. Zoals gezegd, alles mag in het hoofd van Werkman, dus waarom geen kalenders ontwerpen met twaalf maanden van 31 of 33 dagen?

Welwillende critici

In 1939 is er dan eindelijk die lang gehoopte eenmanstentoonstelling in een Amsterdamse galerie, met dank aan typograaf en grafisch ontwerper Willem Sandberg, toen bestuurslid van een kunstenaarsvereniging. Critici zijn ‘welwillend’ en er wordt werk verkocht. Even later hangt hij alweer met schilderijen op een monstertentoonstelling in het Rijksmuseum. Sandberg zet er nu vaart achter. Hij vraagt Werkman een overzicht van zijn typografische experimenten te sturen. En even later moet hij in een vooraanstaand Amsterdams gezelschap maar eens wat meer druksels laten zien.

Er verschijnen steeds meer sjabloondrukken, bevolkt door welvende vormen en figuren in een scala aan kleuren. Deze techniek biedt hem nog meer grafische vrijheden. Dat men zijn druksels afdoet als ‘abracadabra’ is een gepasseerd station. Werkman is een naam en wordt verzameld.

Intussen is het wel oorlog geworden, al lijkt die in Groningen ver weg. Werkman maakt fietstochten en doet zich tegoed aan het land waar hij ooit zijn gelukkigste jaren doorbracht: De fruitbomen daar: ‘Het is alles vol belofte en vol milde zachtheid’, schrijft hij in 1943. Thuis werkt hij verder aan de druksels voor de nu legendarische, 20-delige serie De Chassidische Legenden, gebaseerd op Die Legende des Baalschem van Martin Buber, over de Poolse, 18de-eeuwse chassidische leermeester Israël ben Eliëzer. De uitgave van twee suites van elk tien bladen is snel uitverkocht.

Hoe Werkmans leven afliep weten we: kort voor de bevrijding wordt Werkman door Duitse soldaten gefusilleerd. Vermoedelijk omdat hij had samengewerkt met de illegale uitgeverij De Bezige Bij. Deze man – genereus en bescheiden, inventief en energiek – mag dan zeventig jaar geleden zijn weggevaagd, dat zal zijn werk niet overkomen. Zie de grote tentoonstelling die morgen opent in het Groninger Museum (www.groningermuseum.nl.)