De Afghaanse Bruce Lee wil ook naar Hollywood

Na jaren trainen in tochtig souterrain in Kabul lonkt succes.

Abbas Alizada, alias Bruce Lee, poseert bij een paleis in Kabul. Foto AFP Foto Shah Marai/AFP

‘Water kan stromen, maar het kan ook neerstorten, dus wees als water, mijn vriend.” Abbas spreekt de zin uit met heilig ontzag, in gebroken Afghaans-Engels. Als zijn broers en neven in de gastenkamer goedkeurend knikken, gezeten op kussens langs de wanden, lacht hij tevreden.

Het is de enige uitspraak van de legendarische kungfuvechter Bruce Lee die hij kent. Niet dat Lee zoveel zei in zijn vechtfilms uit de jaren zeventig, maar zijn fans kennen doorgaans heel wat meer van zijn uitspraken. Ze kunnen echter niet, zoals Abbas, vrijwel elke gevechtspose die hij ooit aannam perfect uitvoeren.

Kungfu is populair in Afghanistan. Het sluit naadloos aan bij de martiale traditie van woeste strijders die buitenlandse indringers te lijf gaan. Elke bevolkingsgroep heeft zijn eigen krijgshaftige traditionele dansen, vaak compleet met het vervaarlijk rondzwaaien van zwaarden. Afghanistan heeft een eigen kungfufederatie die ook vrouwen in de gelederen heeft. Ook de Talibaan doen eraan.

Abbas Alizada (21) lijkt sprekend op zijn held Bruce Lee. Zijn halflange steile haar hangt tot aan zijn jukbeenderen langs zijn gezicht. Het wappert op dezelfde wijze naar voren als hij een voorwaartse trap uitdeelt. Als Abbas zijn kungfu-acties uitvoert, trekt hij zijn gezicht in dezelfde grimmige grimas als Lee en maakt hij er net zulke krijsende dierengeluiden bij.

Hij was negen toen hij zijn eerste Bruce Lee-film zag en begon met kungfu op zijn veertiende. „Nu ik beroemd ben, wil ik naar Amerika. Ik wil in Hollywoodfilms spelen, als professioneel vechter.” Trots geeft hij zijn visitekaartje. ‘The Afghan Bruce Lee’, staat erop.

Het begon met foto’s op zijn Facebook-pagina, die een hit werden in Afghanistan. Toen kwam de regionale tv-zender BBC Persia hem filmen. Abbas’ broer, gestoken in smetteloos wit traditioneel Afghaans shirt met wijde broek en lichtblauw colbertje, noemt de tv-zenders die volgden: van CNN tot Al-Jazeera. „En de nationale zender van China”, glundert Abbas, „waar kungfu vandaan komt”.

Vier jaar lang trainde hij in een tochtig souterrain onder zijn ouderlijk huis. Hij probeerde dezelfde spieren te kweken als Bruce Lee, kopieerde alles wat hij hem op het doek zag doen. Hij meldde zich op zijn achttiende aan bij een sportschool waar kungfu werd gegeven, in de ‘wing chun’-stijl waarin ook Lee was opgeleid. Al snel kon hij de lessen niet meer betalen. „Mijn vader is deels verlamd door een hersenbloeding. Hij kan niet meer werken. We zijn een arm gezin.”

Reclamezuil

Zijn leraar („mijn meester”, noemt Abbas hem) erkende zijn talent en bood aan hem gratis te blijven trainen. Vorig jaar won hij een nationale competitie. Inmiddels wordt zijn beeltenis gebruikt in een folder voor de luchthaven van Kabul en in een campagne voor een energiedrank, waarin hij na een paar slokken iemand verslaat.

Maar hij wil zo snel mogelijk naar de VS. „Ik word bedreigd. Mensen hebben me berichten gestuurd waarin ze zeggen dat ze me willen vermoorden.” Niet de Talibaan, zegt hij. „Jaloerse mensen die niet kunnen omgaan met mijn succes.”

Kabul is zo onveilig dat Abbas van zijn moeder niet meer naar de sportschool mag. Dus traint hij weer in de kelder. Hij trekt zijn gezicht in de Bruce Lee-grimas en deelt een hoge trap uit. „Ik heb al een manager, in Californië. Over twee maanden wil ik hier weg zijn.”