Borstprotheses nu te traceren

In reactie op de schadelijke PIP-implantaten houden plastisch chirurgen nu gegevens bij over borstoperaties.

Plastisch chirurgen zullen voortaan een borstimplantatenregister bijhouden met nauwkeurige informatie over borstreconstructies en -vergrotingen die ze uitvoeren. De Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) ondertekent vandaag afspraken met alle fabrikanten en leveranciers van borstimplantaten in Nederland. De registratie verloopt automatisch, tenzij de patiënt bezwaar aantekent. Nederland is het eerste land ter wereld dat op landelijk niveau borstimplantaten registreert.

Aanleiding voor de registratie is het schandaal rond de PIP-implantaten in 2011. De borstimplantaten van het Franse bedrijf PIP bleken gevaarlijk te zijn. Er was kans dat ze zouden scheuren of lekken. De Inspectie voor de Gezondheidszorg en de NVPC adviseerden alle Nederlandse vrouwen met een PIP-implantaat dit te laten verwijderen.

Tussen de 1.000 en 1.400 Nederlandse vrouwen kregen een oproep, maar het bleek dat veel patiënten niet konden worden getraceerd aangezien een centraal register ontbrak. Dat is een groot probleem, zegt Hinne Rakhorst, plastisch chirurg en bestuurslid van de NVPC: „Een zoektocht naar mogelijke slachtoffers zorgt voor grote onrust. Bij registratie weten we met één druk op de knop wie welke protheses heeft, en kunnen we patiënten direct geruststellen of zonodig helpen.”

Serienummers van protheses en de namen van patiënten worden vastgelegd in een landelijk implantatenregister, zoals in januari werd aangekondigd door minister Schippers (VVD, Zorg). Dat register is niet alleen bedoeld voor borstimplantaten. Alle protheses staan erin, bijvoorbeeld ook de pacemakers, kunstheupen of bekkenbodemmatjes als worden geplaatst door cardiologen, orthopeden en gynaecologen.

In het nieuwe borstimplantatenregister dat de plastisch chirurgen introduceren, wordt echter meer en gevoeliger informatie verzameld dan voor het landelijk implantatenregister wordt gevraagd. Het worden een soort kleine medische dossiers. Niet alleen naam, adres en het serienummer van de prothese worden opgeslagen en doorgestuurd naar het ministerie. Daarnaast worden de reden voor transplantatie en een deel van de medische geschiedenis bijgehouden, zoals: ‘Is deze mevrouw eerder bestraald?’ Verder gaan plastisch chirurgen registreren bij welke patiënt en wanneer een implantaat is verwijderd, plus de reden daarvoor.

Door zulke informatie te bundelen kunnen plastisch chirurgen sneller problemen met een bepaald implantaat aanpakken. In het systeem kan bijvoorbeeld direct worden opgezocht of een specifiek merk implantaat opvallend vaak verwijderd moet worden wegens complicaties. Rakhorst: „Dat is belangrijk. Nu kijken ziekenhuizen en klinieken allemaal per patiënt of er na een operatie complicaties optreden. Maar zijn er op grote schaal problemen met een implantaat, dan is dat tot nu toe nog niet direct duidelijk.”

Het borstimplantatenregister wordt beheerd door DICA (Dutch Institute for Clinical Auditing), de organisatie die medische gegevens verzamelt om de kwaliteit van operaties te kunnen meten. Herleidbare patiënteninformatie is alleen inzichtelijk voor de behandelend arts. Alleen als er een acute terugroepactie nodig is, zoals destijds bij de PIP-implantaten, kan de Inspectie voor de Gezondheidszorg beslissen om patiënten massaal te benaderen. Rakhorst: „Het is niet zo dat je straks kunt opzoeken of je buurvrouw een borstvergroting heeft gehad. Dit register voldoet aan privacywetgeving en is veilig.”

Het is niet bekend hoeveel Nederlandse vrouwen een borstimplantaat hebben, omdat dit nooit centraal is bijgehouden. Geschat wordt dat ieder jaar 25.000 vrouwen een implantaat krijgen. Voor leden van de NVPC is deelname aan het register verplicht. 350 artsen, rond de 95 procent van de plastisch chirurgen in Nederland zijn lid van de beroepsvereniging. Er wordt gewerkt aan wetgeving die het registreren van borstimplantaten verplicht stelt.