Column

Welkom aan boord van de Bubbel-Express

Larry Fink, de baas van ’s werelds grootste beleggingsfonds BlackRock, is er inmiddels bang voor. James Bullard, de baas van de Federal Reserve van St. Louis, waarschuwt er tegen. Julian Robertson, een van de beroemdste hedgefondsmanagers, eveneens. Sterker, vorige maand wees een peiling van de Britse brancheorganisatie CFA uit dat 80 procent van alle grote fondsbeheerders ervan overtuigd is: obligaties zijn overgewaardeerd, en het gevaar van een flinke correctie is reëel.

Nu kan de situatie nog best even blijven voortbestaan. In Europa zorgt de ECB met haar opkoopbeleid voor prijssteun tot en met het najaar van 2016. En misschien stelt de Amerikaanse centrale bank een verwachte renteverhoging, die de zaak in gang zou kunnen zetten, nog wel uit. En grote beleggers kunnen vaak niet anders dan kopen: zij moeten de stroom van geld die binnenkomt toch ergens kwijt.

Zo zorgen zij en de centrale bankiers voor het voortduren van een verschijnsel waar zij tegelijkertijd zelf tegen waarschuwen. Alsof de machinist van een voortsnellende stoomtrein zegt, ‘Mijn god, we gaan veel te hard!’ en de hendel nog wat verder opentrekt. En de stoker paniekerig terugschreeuwt: ‘Dit kan toch niet goed gaan!’ terwijl hij nog een schep kolen op het vuur gooit.

Wij, de passagiers in de trein, merken wel dat er iets niet klopt. Maar het is allemaal zo abstract en geleidelijk dat het niet goed lukt je er druk over te maken. Bankierssalarissen zijn veel makkelijker.

Intussen bracht de Zwitserse overheid gisteren een tienjarige staatslening uit met een negatieve couponrente. Dit is dus niet een normale staatslening waar de effectieve rente negatief is geworden, maar één die negatief begint. De eerste tienjarige ooit. En met ‘ooit’ mag een klein millennium worden bedoeld. Op de site globalfinancialdata.com zijn reeksen van rentes op staatsleningen te vinden die teruggaan tot het jaar 1300. Ook voor Nederland zijn er reeksen, vanaf het jaar 1517. Ze onderstrepen dat we werkelijk in vreemde tijden leven.

De obligatiebeleggers merken dat zelf het best. Ze moeten nu bijvoorbeeld concluderen dat de theorie over risico en rendement anders uitpakt dan gedacht. Stel: je had in de index van Nederlandse aandelen belegd en de dividenden op die aandelen weer herbelegd in de index. Dan had je sinds eind 1992 een rendement gehad van iets meer dan 700 procent. Niet slecht, zo’n resultaat. Maar wacht: als je eind 1992 je geld had gestoken in een index van suffe Nederlandse staatsleningen met een looptijd van tien jaar of meer en de rente had herbelegd in diezelfde index, dan had je nu een rendement gehad van: hé, iets meer dan 700 procent.

Hetzelfde dus. Staatleningen brachten de afgelopen 22 jaar net zoveel op als aandelen. Bij de in de financiële theorie aangenomen vaste verhouding tussen risico en rendement zijn er twee conclusies mogelijk: of aandelen bleken veel minder riskant dan gedacht (not). Of langlopende staatsleningen juist veel méér.

Eind 1992 is niet toevallig gekozen. Destijd kondigde minister Kok van Financiën voor het eerst een dertigjarige staatslening aan. De lening had een couponrente van 7,5 procent. Hij loopt nog acht jaar, tot begin 2023.

Als je toen tegen Kok had gezegd dat die lening in 2015 een effectieve rente van 0,16 procent zou hebben, en een koers die 56 procent hoger was dan de uitgiftekoers van toen, had hij je voor gek verklaard. Maar het is gebeurd. Voor beleggers is de tussentijd te mooi geweest om waar te zijn. Stel je eens voor: 22 jaar lang 7,5 procent rente krijgen, en de lening nu ook nog eens verkopen met 56 procent winst! Welkom in de trein. Hou de kaartjes gereed.